Oude Beroepen

Hoort Zegt Het Voort

stadsomroeper

De stads- of dorpsomroeper sloeg op zijn koperen bekken en het galmende geluid ‘lokte meer nieuwsgierigen dan den muziek van den rondwandelenden orgelman.’ De kuiper, de smid, de winkeljuffrouw en de keukenmeid ‘braken, als bij wederzijdsch akkoord, hun handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals luisteren. Overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn.’ De omroeper sprak met ‘langzame, slepende, eentoonige, maar toch luide en verstaanbare stem.’ Hij bracht nieuws over een aankomende vergadering of verkoping, de aankomst van een schip met turf, genomen besluiten en nieuwe wetten. Niet zelden was het nieuws droevig of alarmerend: een vermist kind, een levenloos lichaam in de sloot of ‘voortvluchtige boosdoeners’ die niet veel goeds in de zin hadden. Dergelijk nieuws prikkelde de nieuwsgierigheid van boeren, burgers en buitenlui en het was genoeg om ‘veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.’ Eeuwenlang werd er naar hem geluisterd, maar de opkomst van (betaalbare) kranten en het terugdringen van het analfabetisme snoerden hem de mond. Toch waren er in de 20e eeuw nog stadsomroepers (de laatste hield het in 1964 voor gezien). Maar zijn rol in de gemeenschap was veranderd. ‘Zelden lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster.’ Hij was een figuur uit het verleden, een herinnering aan vroeger tijden. Hij was oud nieuws.