Hieper-de-Pieper

AardtopWat de boer niet kent dat vreet hij niet, luidt een Nederlands gezegde. En dat gold vooral voor aardappels. Die waren in de 17e eeuw vanuit Zuid Amerika in Europa opgedoken, maar de boeren wilden er niets van weten. De knollen waren lelijk, met wratachtige, schurftige plekken en ze roken ook nog eens nergens naar. Men was ervan overtuigd dat de aardappel tering (tuberculose), lepra en syfilis kon veroorzaken. Ook winderigheid werd aan aardappels toegeschreven. De aardappel werd dan ook overal in Nederland als varkensvoer gebruikt. Pas in 1727 waren het de Friezen die aardappels gingen verbouwen. Niet omdat Friesland zo vooruitstrevend was op het gebied van droogkokers en eigenheimers; het was een keuze door honger gedreven. Want wie letterlijk dreigde te sterven van de honger, was zelfs bereid het varkensvoedsel te eten. We waren tenslotte geen Russen, die in diezelfde periode pertinent de aardappel de rug toekeerden en bij duizenden stierven. Het was dus zeker niet liefde op het eerste gezicht, maar in amper honderd jaar tijd zou de aardappel uitgroeien tot volksvoedsel nummer 1.

Wie de eerste zak aardappelen van Zuid-Amerika naar Europa heeft gebracht, is nog altijd een discussiepunt. Feit is dat de Spanjaarden de aardappel ontdekten toen ze het machtige Inca rijk onder de voet liepen. In de meeste keukens in Nederland is dus van tijd tot tijd wel een stukje Inca te vinden. De Ieren waren de eersten in Europa die de aardappelen op grote schaal gingen verbouwen. Hier in Nederland ging het nog gewoon de varkenstrog in; bij de Ieren was het dagelijkse kost. Volgens hen spoelden de eerste aardappels aan land uit Spaanse schepen die voor de Ierse kust schipbreuk hadden geleden. Dat was nog eens strandjutten.

Arrd2

Tussen 1840 en 1850 werden grote delen van Europa getroffen door de aardappelziekte. Het begon in 1845 en 1846, toen het virus 90% van de oogst vernietigde. In het jaar 18147 was het extreem droog, waardoor de oogst voor de derde keer op rij verloren ging. In datzelfde jaar brak er ook nog eens een grote tyfus epidemie uit, een ziekte die tot dan toe volledig onbekend was. Was 1847 te droog, het jaar 1848 spoelde de oogst vrijwel weg door regens. Aan het einde van het jaar brak er een cholera epidemie uit. In 1849 volgde het absolute dieptepunt en was Ierland totaal bankroet. Mensen die hun huur niet meer konden betalen werden zonder pardon op straat gezet en overal in Europa braken oproeren uit (de hongeroorlog of aardappeloproer). Naar schatting een miljoen Ieren stierven de hongerdood en twee miljoen emigreerden naar Amerika en Engeland. In Nederland werd vooral de provincie Groningen getroffen. Pas na 1850 zou de situatie weer beter worden.

Even Een Wasje Draaien In 1850

Was1

Voor een eenvoudige huisvrouw in het midden van de 19e eeuw begon de maandag om vier uur in de ochtend. Had zij een groot gezin, dan werd geadviseerd de dag nog twee uur eerder te beginnen, zodat andere huishoudelijke taken niet in het gedrang kwamen. In de waskeuken werden eerst de grote tobbes met water gevuld. In het huis was zelden een handpomp aanwezig, dus moest het water uit een put Wasstokof ton, of soms zelfs uit de nabijgelegen beek of rivier gehaald worden. Alles bij elkaar waren er die maandag 58 forse emmers water nodig, en dat was dan nog maar voor een gezin van drie. De ovens onder de tobbes werden aangestoken en al snel vulde de waskeuken zich met stoom. Daarna werd alle wasgoed gesorteerd: wit, bont, fijn, een aparte stapel waar verstelwerk voor nodig was en een stapel wasgoed met vlekken. Elke vlek had zo zijn eigen recept. Zo werden inktvlekken verwijderd met melk, fruitvlekken met boter en schimmelvlekken met citroen. Nadat elke vlek afzonderlijk behandeld was, ging het wasgoed de dampende tobbes in en moest het vervolgens rondgedraaid en gemangeld worden met een wasstok. Dit was een lange stok, met onderin houten tanden. Het was zwaar werk en op den duur bijzonder pijnlijk voor schouders, armen en rug. Ter vergelijking: zelfs onze moderne wasmachine heeft al gauw tussen één en twee uur nodig om de was schoon te krijgen, en tijdens het wassen maakt de trommel oneindig veel rotaties. Diezelfde rotaties moesten vroeger met de hand worden gemaakt (het wasbord was in 1833 uitgevonden, maar zou pas na 1850 populair worden). Niet alleen moesten de tobbes om de zoveel tijd met schoon water gevuld worden, het wasgoed zelf werd ook meerdere malen geweekt en gewassen. Een goede huisvrouw waste elk stukje wasgoed driemaal voordat het uiteindelijk schoon genoeg was.

Op de tweede dag werden de kledingstukken bewerkt met stijfsel; het zogenaamde stijven van kleding. Dit werd gedaan om de kleding zijn stevigheid terug te geven. Daarna moest alle wasgoed andermaal uitgewrongen worden. De wringer (of mangel) kwam halverwege de 19e eeuw pas op de markt en dus haalde men in 1850 nog niets (of niemand) door de mangel. Linnen werd uitgespreid op het grasveld (ofwel: bleekveld), omdat er na het wassen vaak een gelige kleur op het wasgoed achterbleef. De zon bleekte die eruit en maakte het linnen lichter van kleur.

Bleekveld

Op de derde dag werd het wasgoed gestreken. Een strijkplank bestond nog niet, dus werd er een laken over tafel gelegd en daarop gestreken. Een strijkijzer was er wel, maar nog geen stroom. Het strijkijzer werd op een vuur verhit of kon worden gevuld met gloeiende kooltjes. In beide gevallen was strijken een tijdrovende bezigheid en was er altijd het risico op brandwonden. Op maandag begon de hele cyclus weer van voren af aan.

Geboorte

Geburt3

Eva verleidde Adam in het aards paradijs. En zo werd de vrouw eeuwenlang met onreinheid in verband gebracht. Een man werd dan ook niet geacht bij een bevalling aanwezig te zijn. Wat er zich achter gesloten deuren in de kraamkamer afspeelde was taboe. In 1552 verkleedde dr. Wertt uit Hamburg zich als vrouw om een bevalling met eigen ogen te kunnen zien. Hij werd betrapt, veroordeeld en op de brandstapel gezet. Het was dus echt een heet hangijzer, zogezegd. Dat bleef het tot ver in de 20e eeuw, want de vraag waar de kinderen vandaan kwamen was een uiterst ongemakkelijk onderwerp. En zo werden er allerlei fabeltjes verzonnen om de herkomst van kinderen te verklaren:

  • ze werden uit de boom geplukt
  • ze kwamen uit het riet
  • of uit een bron
  • een gracht
  • een put
  • ze lagen in de duinen
  • ze werden gebracht door de vloed
  • of een schip
  • ze werden gemaakt door dokters
  • ze werden gekocht op de markt

En uiteraard kwamen ze uit de kool. Had het kind rossig haar dan kwam het uit de rode kool, was het blond dan kwam het uit een witte kool. Apekool natuurlijk, weten we nu. De ooievaar was ook populair en wordt ook nu nog als symbool op geboortekaartjes gebruikt.

ooievaar vliegt

Voor de wetenschap was de zwangerschap lange tijd een groot mysterie, en zo werden allerlei bakerpraatjes voor waar aangenomen. Dronk de vrouw een glas azijn per dag, dan werd het kind mager. Boter maakte het kind blozend. Rauwe wortelen eten of het dragen van blauwe kleding stonden garant voor het krijgen van een zoon. Zag de vrouw tijdens haar zwangerschap een haas wegspringen, dan was de kans groot dat het kind een hazenlip zou krijgen. Schrok de vrouw van iets lelijks of naars, dan was dat zeer nadelig voor het nog ongeboren kind. Schrok ze toch (zat de schrik erin, zullen we maar zeggen), dan moest ze ervoor zorgen dat ze haar lichaam niet aanraakte met haar hand. Deed ze dat wel, dan kreeg het kind een wijnvlek.

De geboortedag kon ook allerlei voorspoed of tegenslag betekenen. Wie op woensdag of zondag ter wereld kwam, kon rekenen op een gelukkig leven. Wie echter het noodlot had op vrijdag geboren te worden, zou spoedig sterven. Als het kind geboren was legde de baker (vaak een buurvrouw) de baby in de luren. Er werd een doek om het hoofdje gebonden dat de fontanel moest beschermen. Vervolgens ging er een linnen doek en een wollen luier om het hele lijfje en tenslotte een zwachtel van de voeten tot de oksel, zodat het kind de benen niet kon bewegen.

Direct na de geboorte werd een geboorteklopper aan de deur opgehangen; een kanten handwerkje met een papiertje erin als er een meisje geboren was. De geboorte van een jongen kwam zonder papieren. Het kloppertje zorgde er ook voor dat verzoeken om geld (uitstaande rekeningen) tot nader order opgeschort werden. Familie en buren stroomden vrijwel direct na de geboorte de kraamkamer binnen. Dat zorgde soms voor wilde taferelen, zoals een dominee in 1743 noteerde: zoals aanstonds na de geboorte het kraamhuis vervuld werd met ijselijk geschreeuw, getier, geroep, gepaard gaande met zondige danserijen. De kraamvisite kreeg kandeel ingeschonken (brandewijn met kaneel, kruidnagelen en rauwe eieren), de kinderen kregen suikerbollen of gesuikerde boterhammen. Vanaf 1860 werd de beschuit met muisjes populair, een traditie die nu ruim 150 jaar bestaat.

beschuit-met-muisjes