Mayke Jelles (1816-1874)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1775-1863) & Trijntje Jacobs Hilverda (1787-1823)
Grootouders: Hilbrand Jelles Bruinsma (1743-1824) & Eeke Rommerts (1746-1783)
Overgrootouders: Jelle Hilbrandts (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)
Betovergrootouders: Hilbrandt Jelles & Gryttje Martens

Er stond een harde wind en het hagelde af en toe op zaterdag de 11e mei 1816. Om 11.00 uur die ochtend liet vader Jelle Hilbrands Bruinsma bij de Burgerlijke Stand noteren dat op donderdag den negenden May dezes jaars een duizend agt honderd en zestien, ’s voorde middags ten elf uuren zijn dochtertje Mayke te Tzum was geboren, uit hem comparant en Trijntje Jacobs Hilverda. Mayke werd op zondag 26 mei 1816 in de Hervormde Kerk van Tzum gedoopt. In de doopakte werd per abuis genoteerd dat zij op 8 mei 1816 geboren zou zijn, maar afgaande op haar vaders woorden bij de aangifte van geboorte, werd zij toch echt een dag later geboren.
Ze was het derde en laatste kind in dit gezin. Haar zusje en naamgenote was in maart 1812 geboren en in september 1812 overleden. Haar broer Hilbrand was in februari 1814 geboren, dus hij was 2 jaar oud toen Mayke geboren werd. Eind 1819, begin 1820 verhuisde het naar Franeker, waar ze op ’t Vliet (Oostvliet) gingen wonen. Vader Jelle was koopman van beroep en hij woonde nu op een paar meter afstand van de druk bevaren trekvaart van Leeuwarden naar Harlingen. In juli 1823, vlak voor Mayke’s zevende verjaardag, overleed haar moeder op 36-jarige leeftijd. Haar vader hertrouwde in november 1824 en Mayke en haar broer werden vanaf dat moment opgevoed door hun stiefmoeder Aukjen Jans Taekema. Aukjen was ook eerder getrouwd geweest en had 3 kinderen gekregen. Twee van deze kinderen waren overleden, maar haar bijna 11-jarige dochter Reinske leefde nog. En zo kregen Mayke en haar broer er niet alleen een stiefmoeder, maar ook een oudere stiefzuster bij (Reinske, trouwde in 1831, overleed in 1851). Na het huwelijk verhuisde het gezin van Franeker naar Dronrijp.

Mayke bleef tot aan haar trouwen bij haar ouders thuis wonen. Het is aannemelijk dat ze hier en daar als dienstbode heeft gewerkt, maar bij wie dat was en voor hoelang, is niet bekend. Ze was 27 jaar oud, toen ze op zaterdag 27 mei 1843 in het huwelijk trad met de 32-jarige Foeke Meinderts Wynia. Foeke was op maandag 8 oktober 1810 te Tzum geboren en op zondag 14 oktober in de Hervormde Kerk aldaar gedoopt: Den 14 van Wijnmaand is het kind van Meindert Teunis en Akke Foekes E.L. (= echtelieden) gedoopt, zijnde een zoon genaamd Foeke. Geb. Tzum d. 8 van Wijnmaand 1810. Vader getuige (ofwel: geboren de 8e oktober 1810, want oktober was de wijnmaand). Foeke was het derde kind van boer Meindert Theunis Wynia en moeder Akke Foekes. Zus Wytske was in 1806 geboren en was 4 jaar oud toen Foeke ter wereld kwam. Foeke’s broertje en naamgenoot werd in 1808 geboren maar overleed tussen december 1808 en september 1810. Na Foeke zouden er nog 4 kinderen in dit gezin geboren worden: Theunis (1813), Lieuwe (1815), Bottje (1821) en Age (1825). Foeke trouwde in oktober 1834 met de 18-jarige Pytje Sipkes Tjilzerda uit Winsum (amper 2 maanden na het huwelijk overleed Foeke’s vader). Uit dit huwelijk waren 4 kinderen geboren: Meindert (1836), Sipke (1838), Jan (1839) en Akke (1840). Pytje overleed in februari 1842 en werd slechts 25 jaar oud. En zo werd Mayke dus ineens stiefmoeder van drie stiefzoons en een stiefdochter. Op haar huwelijksdag woonde ze nog altijd in Dronrijp en was ze zonder beroep, terwijl Foeke in Tzum woonde en landbouwer van beroep was. Hieronder de handtekeningen van de bruid en bruidegom, gevolgd door de getuigen:

  • Jan Tjalllings Tjallinga, 76 jaar, grietenij bediende, wonende te Franeker, vreemd aan bruidegom en bruid
  • Rein Klazes Westra, 47 jaar, grietenij bediende, wonende te Franeker, vreemd aan bruidegom en bruid
  • Jakkele Feddes Weidema, 33 jaar, politie bediende, wonende te Zweins, vreemd aan bruidegom en bruid
  • Klaas de Wit, 32 jaar, klerk, wonende te Franeker, vreemd aan bruidegom en bruid 

Mayke en Foeke kregen de volgende kinderen:

  1. Trijntje, 31 mei 1844 Tzum – 24 maart 1867 Sexbierum (22 jaar)
  2. Aukje, 17 december 1845 Franeker – 11 mei 1886 Welsrijp (39 jaar)
  3. Jelle, 28 november 1847 Franeker – 13 augustus 1848 Franeker (8 maanden)
  4. Wypkje, 31 mei 1849 Franeker – 30 juli 1883 Dronrijp (34 jaar)
  5. Jeltje, 4 augustus 1850 Franeker – 23 augustus 1931 Pease, Mile Lacs, Minnesota, United States (81 jaar)
  6. Jelle 26 september 1851 Franeker – 11 april 1899 Herbajum (47 jaar)
  7. Lieuwe, 22 juli 1855 Franeker – 1 september 1904 Iowa, United States (49 jaar)
  8. Wytske, 22 januari 1858 Franeker – 11 oktober 1880 Sexbierum (22 jaar)

Als we de kinderen uit het eerste huwelijk van Foeke meetellen, werden er dus in totaal 12 kinderen geboren, waarvan alleen Jelle (1847-1848) binnen het jaar overleed. Ook zien we dat Jeltje en Lieuwe naar de Verenigde Staten emigreerden. Na hun huwelijk woonden Mayke, Foeke en de kinderen in een huis en schuur, hoving en plantagie daar op staande, gelegen onder den dorpe Tzum. Daarnaast behoorden er landerijen bij het huis, met een totale oppervlakte van meer dan 26 hectare. Het was het huis genummerd 77 en ze betaalden er een huur van 1.026 gulden per jaar (omgerekend zo’n € 11.484 per jaar). Op Saturdag den zesden April 1844 huurde Foeke een perceel kerkelanden te Baijum, voor de jaarlijkse huurprijs van 35 gulden (omgerekend € 391).

In diezelfde periode, tussen mei 1844 en december 1845, verhuisde het gezin naar Franeker, waar ze in een zathe (hoeve) met de naam War, gelegen op ’t War 58 gingen wonen. Tezamen met Arkens, Salwerd, Lutje-Lollum, Doijum, Kie en Lankum vormden zij het buurschap Uitburen (in de Bevolkingsregisters werd dit gebied aangeduid met de letters UB, ofwel Uit Buren). Arkens, Salwerd, ’t War, Lankum en de anderen lagen 1 uurs in de lengte en 1 uur in de breedte rondom Franeker, en zij behoorden dus tot het rechtsgebied (onder de klokslag) van Franeker. Johannes Lubach was tolgaarder in Uitburen, Klaas Berends Osinga verwer, Tjeerd Simons Braamsma sluiswachter en Bauke Franses Boonstra steenfabrieksarbeider, wellicht in de nieuwe tichelwerk-fabriek (steenfabriek) het Wilde Werk aan de Tzummervaart. Rinze Cornelis Kramer was tasker op het tichelwerk, met andere woorden: voorman in de steenbakkerij. De steenbakkers werden tichelaars genoemd en Gerrit Douwes Tichelaar deed zijn naam eer aan, want hij werkte als tichelaar in de steenbakkerij. Jan Geurtsen en zijn vrouw Anna de Klein woonden ook in Uitburen. Hij was in Velsen geboren, zij in Haarlem. Er waren ook behoorlijk wat schoolleerlingen in dit buurschap, maar de 16-jarige Albe Rinkes Bakker was net iets anders dan de anderen, want bij hem werd huisleerling achter zijn naam gezet. In januari 1847 verkocht boer Foeke op Hornleger (erf) van de zathe U.B. nr. 58 (dus Uit Buren, het huis genummerd 58) eenige gerooide boomen en hakhout. Jacob Hettema kocht er 10 stammen voor een totaalsom van 61 gulden en 65 cent. Dirk Vellinga kocht er ook wat stammen, net als Jelte Radsma, Tjerk de Loop en anderen. Zoals we in onderstaande advertenties kunnen lezen zocht hij van tijd tot tijd vakmannen om werkzaamheden op de boerderij te verrichten. In 1846 voor het afbreken eener kamer, en in 1853 voor een veel grotere verbouwing, waarbij eener voorhuizinge, keuken, melkkelder, vuurhut enz. moesten worden afgebroken, om plaats te maken voor nieuwe. Later in 1853, toen de verbouwing blijkbaar achter de rug was, zocht hij een schilder voor het verwen van binnen en buiten, benevens het behangen van twee vertrekken. 

Het leven op het platteland rond 1850 had zo zijn zekerheden: de kalvertijd, de hooitijd, de grote schoonmaak en de kermis in het dorp. Elke week was er markt in de stad en op zondag ging men naar de kerk. Zo was het altijd geweest, zo zou het, dachten velen, altijd zijn. Maar de voorbije eeuwen kenden ook haar dodelijke onvoorspelbaarheden. In de eerste helft van de 19e eeuw wisselden uitbraken van pokken, mazelen, roodvonk, tuberculose, malaria, tyfus en bovenal cholera elkaar in rap tempo af. Daarnaast was er altijd de zorg om de oogst. Teveel of te weinig regen kon een oogst doen mislukken, met alle gevolgen van dien. In de hete en natte zomer van 1845 ging een groot deel van de aardappeloogst verloren door een schimmel (Phytophthora infestant genaamd). Slechts vier miljoen mud aardappelen werd er dat jaar geoogst, terwijl dat normaal gesproken veertien miljoen had moeten zijn. In 1846 was de totale aardappeloogst zes miljoen mud (dus nog altijd negen miljoen mud te weinig). Ook de oogst van rogge en tarwe bleven onder de maat, onder andere door een muizenplaag. In de lange, snikhete zomer brak er vervolgens ook nog eens een malaria epidemie uit. Tot overmaat van ramp waren de winters ongekend lang en streng. Werkloosheid en bittere armoede waren het gevolg. De armenkas in veel dorpen en steden raakte uiteindelijk leeg, waardoor mensen van honger en uitputting stierven. In veel gemeentes was het aantal sterfgevallen in die jaren hoger dan het aantal geboorten. De koning riep op tot een algemene biddag (2 mei 1847), en zo werd in alle kerken ’s Hemels zegen voor den groei der granen afgesmeekt. Maar het mocht niet baten. Op verschillende plaatsen braken onlusten uit en in Harlingen, Franeker en Leeuwarden zetten de autoriteiten soldaten in en werd er met scherp geschoten.

Daarnaast werden de veehouders In de jaren veertig en vijftig geteisterd door een gevreesde longziekte onder de runderen. Duizenden dieren werden ziek en moesten worden afgemaakt. De Leeuwarder Courant hield gedurende die jaren een lijst bij van boeren bij wie het vee besmet was, en bij wie het vee gezond verklaard was. In december 1852 verscheen Foeke’s naam in de lijst van getroffen boeren. In april 1853 werden zijn runderen weer gezond verklaard. Maar in 1856 en 1859 was het weer raak en werd zijn veestapel andermaal getroffen door het dodelijk virus. Dit waren vreselijke tijden voor de boeren. Want besmet vee maakte de boer in zekere zin ook besmet, waardoor het zakendoen stukken moeilijker werd. Niet voor niets verloren talloze boeren hun veestapel, hun inkomsten en uiteindelijk ook hun hoeve.

Ondertussen begonnen de kinderen het huis te verlaten. Stiefdochter Akke trouwde in 1859, stiefzoon Meindert in 1861, stiefzoon Sipke in 1864, dochter Trijntje in 1865, stiefzoon Jan in 1869 en dochter Wypkje in 1870. Het zou de laatste maal zijn dat Mayke bij het huwelijk van een van haar kinderen aanwezig zou zijn, want ze overleed op donderdag 5 februari 1874, des nachts ten een ure, in de huizing wijk UB nummer acht en vijftigte Franeker. In de overlijdensakte werd genoteerd dat zij boerin van beroep was. Mayke Jelles Bruinsma werd 57 jaar oud.

En zo bleef Foeke andermaal als weduwnaar achter. Hij overleed op zaterdag 18 november 1876, des avonds ten zes ure, in de huizing wijk UB nummer acht en vijftig te Franeker.  Foeke Meinderts Wynia werd 66 jaar oud.

Advertenties