Maartje Sikkes (1923-2013)

Maartje Dijkstra & Jelle

Plaats In De Stamboom
Ouders: Sikke Freerks Dijkstra (1887-1931) & Pietje Hendriks Deelstra (1890-1969)
Grootouders: Freerk Minnes Dijkstra (1853-1930) & Klaasje Arjens Vis (1854-1928)
Overgrootouders: Minne Sikkes Dijkstra (1825-1871) & Aafke Hielkes van der Meulen (1817-1897)
Betovergrootouders: Sikke Thomas Dijkstra (1793-1838) & Antje Minnes Braaksma (1795-1851)
Oudouders: Thomas Meinderts Dijkstra (1754-1814) & Antje Foppes Fopma (1749-1823)

Maartje werd geboren op 15 maart 1923, om 06.00 uur in de ochtend, op de Lijnbaanstraat 2 te Franeker. Daarmee was ze het 9e kind van vader Sikke Dijkstra en moeder Pietje Deelstra. Op de dag dat Maartje geboren werd, waren 4 van de 9 kinderen al overleden, waardoor ze in een gezin kwam met 2 broertjes en 2 zusjes. In de jaren erna zouden er nog twee broertjes en twee zusjes geboren worden: Jan (1925), Antje (1927), Pietje (1928) en Arjan (1931), zodat er in totaal toch weer 9 kinderen in het gezin zouden zijn. En Maartje zou uiteindelijk mijn moeder worden.

Het gezin verhuisde tussen 1923 en 1928 van Franeker naar Zevenhuizen. Eerst naar Zevenhuizen nummer 20, later naar Zevenhuizen nummer 28. Zevenhuizen zelf bestaat niet meer, wat rest is slechts een enkele foto.

Zevenhuizen

Waarschijnlijk de meest aangrijpende en meest traumatische gebeurtenis in haar leven was het verlies van haar vader, die in 1931 overleed. Ze was toen maar 8 jaar oud en bleef achter met haar moeder en 8 broertjes en zusjes (waarvan de jongste nog maar 4 dagen oud was). Het gezin verviel in bittere armoede en mijn moeder en haar zusters werden regelmatig langs de deuren van de gegoede burgers van Franeker gestuurd om te vragen of ze nog wat konden missen voor vrouw Dijkstra. Toch was mijn moeder anders dan haar broertjes en zusjes. Een prinsesje, zoals een van haar zusters later zou zeggen. Ergens tussen 1937 en 1939, toen ze zo’n zestien jaar oud was, werkte ze als dienstmeisje bij een Joods gezin in Amsterdam Oost, op Eerste Boerhaavestraat. Op loopafstand van theater Carré en het Waterlooplein. Voor een Fries meisje dat nog nooit een dag buiten de provincie was geweest, moet dat een enorme ervaring zijn geweest. Maar ze vond het prachtig en had totaal geen last van heimwee. Ze vertelde dat ze dan samen met een ander meisje op de vrije zondag in de tram door de stad gingen en volop genoten. Een groter contrast met mijn vader is eigenlijk niet denkbaar. Toen ze na hun trouwen naar Beverwijk verhuisden, verpieterde hij bijna. Mijn moeder niet, die paste zich moeiteloos aan, zoals ze zich ook in Amsterdam had aangepast. Later zou ze vaak zeggen dat ze graag had willen reizen, de wereld had willen ontdekken.

In Amsterdam werkte ze bij de familie Cohen, die een boekenwinkeltje hadden in de Tweede Boerhaavestraat. Een half tot driekwart jaar bleef ze in Amsterdam en luisterde ze in de avonduren, op haar kamertje, naar de opgewonden stemmen van de familie Cohen. Het ging over de nazi’s in Duitsland, over Hitler en de oorlogsdreiging. En steeds maar weer werd diezelfde vraag gesteld: moeten we vluchten of niet? Veel begreep Maartje er niet van en ze had geen idee wie die Hitler nu eigenlijk was en welke dreiging er van hem uitging. Ergens rond 1939 vluchtte de familie Cohen het land uit en kwam Maartje te werken in Bilthoven, als dienstmeisje bij professor Callenbach. Deze laatste was schrijver en had een eigen drukkerij in Nijkerk. Ook hier werkte ze met plezier en voelde ze zich thuis. Het was uiteindelijk professor Callenbach die haar op hart drukte dat ze terug naar haar moeder moest gaan. Niet omdat hij haar kwijt wilde, maar omdat de oorlogsdreiging met de dag toenam. En zo keerde Maartje eind 1939, begin 1940 weer terug naar Franeker.

Ze was 25 jaar oud, toen ze op zaterdag 10 april 1948 in het huwelijk trad met de 21-jarige Wijger Bruinsma. Het had een onvergetelijk mooie dag moeten zijn, maar hoogstwaarschijnlijk was dat het niet. Want ze was zwanger en er moest dus wel getrouwd worden. Voor mijn moeder was de buitenwereld extreem belangrijk. Als ik als kind een vlek in mijn broek had, werd ze woedend. Niet alleen om de vlek, maar ook omdat ik zo over straat was gegaan. Wat moeten de mensen wel niet denken, bitste ze dan. Een zwangerschap voor het huwelijk zal dan ook een gruwel geweest zijn. Ze had gefaald. Niet alleen in haar ogen, maar ook – zo dacht ze – in de ogen van haar moeder. Die dag zal ze als een vernedering ervaren hebben, een schande. En toch, als we naar de trouwfoto kijken, zien we toch ook een knap stel samen. Met zuinige glimlachjes, maar toch. De ouders van Wijger waren bij het huwelijk aanwezig, net als Maartje’s moeder. Haar vader was immers al overleden. Als getuigen traden op:

  • Freerk Dijkstra, 37 jaar, los werkman, woonachtig te Franeker, broeder van de bruid
  • Doede Jelles Bruinsma, 28 jaar, chauffeur, woonachtig te Franeker, broeder van de bruidegom

Trouwfoto Wijger Bruinsma & Maartje Dijkstra 1948

Voorgrond: Jantje Bruisnma-Bron & Jelle Bruinsma, erachter: Pietje Dijkstra-Deelstra & Baukje van Zwol-Dijkstra9. Raadhuis Franeker, met vooraan grootouders Bruinsma en achter Baukje van Zwol Dijkstra, Grootmoeder P. Dijkstra-Deelstra

Samen kregen zij de volgende kinderen:

  1. Jelle Sikke, **** 1950 te Franeker
  2. Sikke Jelle, **** 1955 te Franeker
  3. Jan Doede, **** 1961 te Heemskerk

Of, om nauwkeuriger te zijn: dit zijn de kinderen die bij de Burgerlijke Stand zijn opgegeven. Want uit overlevering (van zowel Maartje als de rest van de familie) weten we dat Jelle niet het eerste kindje was. Hij was de eerste die zou blijven leven, maar hij was niet de eerstgeborene. In 1948 beviel Maartje van een tweeling. Twee jongetjes die nog enkele uren zouden leven en vrijwel tegelijkertijd stierven. Het vreemde, of zeg maar gerust bizarre, aan dit verhaal is het feit dat deze tweeling niet bij de Burgerlijke Stand is opgegeven. Niet als zijnde geboren en niet als zijnde overleden. Wie de verhalen van onze voorouders op deze site heeft gelezen, heeft kunnen zien dat men deze kinderen (levenloos geboren of kort na de bevalling overleden) altijd bij de Burgerlijke Stand opgaf. Hendrik Jans Deelstra deed dit bijvoorbeeld in 1877 al, en Freek Minnes Dijkstra in 1891. Maartje en Wijger deden dit niet, wat ons bij de ongemakkelijke vraag brengt wat er met deze kinderen gebeurde nadat ze waren overleden. Want voor een begrafenisondernemer was het alleen mogelijk iemand te begraven die ook daadwerkelijk (volgens de wet) geboren was. In 1949 volgde een miskraam (wederom een jongetje). Maar ook dit kind werd niet geregistreerd.

Ma en Jelle

Ze woonden in eerste instantie bij mijn vaders ouders in (Jelle Doedes Bruinsma en Jantje Bron), en ook hebben ze een tijdje bij de opa van mijn vader gewoond (Doede Jelles Buinsma). Later zouden ze verhuizen naar de Van Der Bildtstraat 1 te Franeker. Midden jaren vijftig zouden ze verhuizen naar de Heerengracht 38 te Franeker. Er kwamen vaak vrienden over de vloer, en dan werd er gepraat en gelachen. Een vorm van gezelligheid die vrijwel geheel zou verdwijnen toen ze Franeker verruilden voor Beverwijk.

Mijn moeder was in de twintig toen de oorlog uitbrak. Ergens in die oorlogsjaren kreeg ze ruzie met zo’n moffenmeid die ze vervolgens een rake klap in het gezicht verkocht. Nu bleek die vrouw het liefje van een van de kopstukken uit Franeker te zijn, dus werd mijn moeder nog diezelfde dag door de politie van huis gehaald. Ze kreeg te horen dat ze haar excuses aan moest bieden, wat mijn moeder pertinent weigerde. En dus werd ze een nacht in de cel opgesloten. De cipier (een Franeker) drukte haar op het hart te doen wat haar gevraagd werd, maar mijn moeder wilde er niets van weten. De volgende dag werd haar een taakstraf opgelegd: ze moesten een aantal weken schoonmaken in De Bocht van Guinnee, een van de oudste cafe’s in Franeker. En zo liep een rake klap met een sisser af. In die oorlogsjaren was alles op de bon. Dat stopte niet toen Nederland na 5 lange jaren weer vrij was. Benzine, kleding, tabak, brandstof, voedsel, aankopen voor de keuken zoals potten en pannen, serviesgoed; alles was nog vele jaren op de bon en kon dus niet zomaar aangeschaft worden. Zo spaarde mijn moeder maanden en maanden voor haar trouwservies, dat in gedeelten gekocht moest worden: eerst de diepe borden, dan de platte, dan de schalen enzovoort. Stapje voor stapje werd het servies bijeen gesprokkeld, tot het eindelijk compleet was. Het servies is nog steeds en is nog helemaal intact.

Servies 1

Op de Bon

Eind jaren vijftig, begin jaren zestig maakte het gezin de overstap naar Beverwijk (Pieter Verhagenlaan), gevolgd door Heemskerk (Loirestraat) en tenslotte weer terug naar Beverwijk (Alkmaarseweg). Het betekende het loslaten van de geboortegrond en moeten aarden in een andere provincie, met andere mensen en een andere mentaliteit. Voor mijn moeder was dit geen enkel probleem, terwijl mijn vader altijd heimwee heeft gehouden. Ooit opperde ze zelfs het idee te emigreren, maar dat was toch net iets te gortig voor voor mijn vader. Mijn moeder had er wel oren naar, want of het nu Amsterdam (in haar jonge jaren), Beverwijk (op volwassen leeftijd) of Amerika en Canada was geweest; zij had haar draai er wel kunnen vinden.

Pap & Mam1

Mijn moeder was een complexe en moeilijke vrouw. Toen mijn vader een keer met de boodschappen thuiskwam en een ander merk boter gekocht bleek te hebben, ontstak ze in woede en smeet de boodschappen één voor één naar zijn hoofd. De eieren, de boter, de melk, de koekjes, alles vloog de kamer door terwijl mijn vader ze probeerde af te weren. Ook ben ik er ontelbare keren getuige van geweest hoe ze verbaal de grond met hem aanveegde en hem neerzette als een incompetente, domme man. Pas aan het einde van haar leven, toen ze door meerdere artsen onderzocht was, werd de conclusie getrokken dat ze een psychiatrische stoornis had. Maar toen was het te laat om er nog iets aan te doen. Daarnaast sukkelde ze tijdens haar leven vrijwel altijd met haar gezondheid en met name haar stoelgang was een groot probleem. Eten deed ze mondjesmaat en alleen maar voor de vorm.

Toch had ze ook een andere kant. Zo kon ze prachtig vertellen en ook aan de Kerstdagen bewaar ik dierbare herinneringen. De nog half donkere kamer in de ochtend, alleen beschenen door het licht van de Kerstboom en de kaarsjes, de feestelijk gedekte tafel en het Kerst ontbijt waren echt het hoogtepunt van het jaar. Ook was mijn moeder in sommige opzichten veel progressiever dan mijn vader. Toen ik van de middelbare school kwam en liet weten verder te willen leren, was mijn vader daar fel op tegen. Hij vond dat allemaal maar onzin. Het was mijn moeder die het anders zag en een lans voor me brak.

Begin jaren tachtig moest ze in het ziekenhuis worden opgenomen omdat er een knobbeltje in de borst was geconstateerd. Dat was zorgwekkend, maar vooral de timing was rampzalig. Want de huisbaas had aangegeven hun woning te willen verkopen en precies in die weken moesten zij de knoop doorhakken waar ze naar toe wilden verhuizen. Ze konden zich inschrijven voor een van de nieuwbouwwoningen in Beverwijk, alleen moesten ze aangeven voor welk type woning ze in aanmerking wilden komen. Met mijn moeder in het ziekenhuis, was het aan mijn vader om daar achteraan te gaan. Op een vrijdagavond vertelde hij haar de laatste stand van zaken. Ze ontstak in woede en midden op de zaal – met alle patiënten en alle bezoek – stak ze een eindeloze tirade tegen hem af. Er knapte iets bij mijn vader. Hij stond op, ging naar huis, pakte zijn spullen en dook onder bij mijn broer in Leeuwarden. Mijn moeder moet hebben geweten dat ze te ver gegaan was, want een paar uur later liep ze het ziekenhuis uit, nam een taxi en trof het huis leeg aan. Over het knobbeltje in haar borst werd nooit meer gesproken.

Ma Later

Mijn vader vond een huis in Tzummarum en ging er wonen. Maanden zijn ze uit elkaar geweest, totdat mijn vader weer contact met haar opnam. Anderhalf jaar daarvoor was hij al geopereerd aan darmkanker, en toen hij in Tzummarum woonde werd hij opnieuw ziek. Mijn moeder zei later dat hij haar had verlaten omdat hij op de vlucht was voor zijn ziekte. Of dat waar is, valt te betwijfelen. Het is eerder dat zijn ziekte de reden was dat ze weer bij elkaar kwamen. Hoe het ook zij, ze was zielsblij dat hij weer terug was. Maar het ging slecht met hem en hij moest andermaal in het ziekenhuis opgenomen worden. Een paar dagen later kwam het vreselijke nieuws: hij had nog maximaal een jaar te leven. Ondertussen hield de winter ons land in een ijskoude greep. Het vroor dat het kraakte en het sneeuwde. De woning in Beverwijk (waar mijn moeder officieel nog steeds woonde) stond al weken leeg, dus kreeg ik de huissleutel toegestuurd en ging er diezelfde avond naar toe om de waterleiding af te sluiten. Tot mijn verbijstering stapte er net een politieagent naar buiten: de waterleiding was inderdaad geknapt en de hele woning stond onder een laag ijswater. Uit voorzorg was de stroom ook afgesloten. Binnen was het ijskoud en spookachtig donker. Het water sopte onder mijn schoenen: in de woonkamer, de gang, de slaapkamers, op de trap en overloop. De houten planken op de overloop zouden in de daaropvolgende dagen kromtrekken en deels omhoog komen. Ook was het water door de achterdeur naar buiten gestroomd en had zich een dikke ijsmuur op de deur gevormd.

IJSdeur

Het was een ramp in het menselijk drama dat zich in Friesland afspeelde. Mijn moeder kwam een paar dagen later over en heeft een aantal dagen en nachten in dat drijfnatte huis doorgebracht, zonder stromend water en licht. Honderd verzoeken om bij mij te komen logeren (ik woonde nog steeds op vijf minuten afstand) werden genegeerd. Uiteindelijk verhuisden ze naar Hallum, mijn vader vanuit het ziekenhuis, mijn moeder vanuit Beverwijk, waar ze mijn vader de laatste maanden van zijn leven met veel liefde heeft verzorgd. Wijger Bruinsma overleed op 1 mei 1985, 58 jaar oud slechts.

Ze is zijn dood nooit meer te boven gekomen. Merkwaardig, als je bedenkt dat het huwelijk bol stond van spanningen, ruzies en bittere verwijten. Wellicht heeft ze na zijn dood meer van hem gehouden dan tijdens zijn leven. Ze verhuisde en trok zich terug op de Reinder Buysingweg in Leeuwarden, versomberde en vervreemde van haar kinderen en kleinkinderen. Jaren van stilte gingen voorbij en alleen de angst dat ze binnenkort zou overlijden (na een tia) deed haar doen besluiten contact met haar oudste zoon op te nemen. Haar angst bleek ongegrond, want ze herstelde volledig. In haar laatste jaren was ze slecht ter been en kwam ze het huis niet meer uit. Geestelijk echter was er van verval geen sprake en bleef ze iedereen verbazen met haar fabelachtige geheugen. Eind oktober 2011 viel ze in de keuken en brak haar heup. Met al haar krachten sleepte ze zich naar de woonkamer, trok een deken van de bank en bleef op de vloer bij de kachel liggen. Meerdere dagen lag ze daar, zonder iemand te bellen, zonder eten en zonder drinken. Toen mijn broer die zondag aanbelde, werd er niet open gedaan. Na lang aarzelen klom hij uiteindelijk door het keukenraam naar binnen en vond haar daar. Mijn moeder begroette hem met een verbaasd: jongen, wat doe jij hier? Van een ziekenwagen wilde ze niets weten en ze verzette zich met hand en tand toen de broeders uiteindelijk binnen waren. Na bijna een uur heen en weer gepraat stemde ze eindelijk toe om naar het ziekenhuis te worden gebracht. Daar werd een gebroken heup geconstateerd, maar dat wilde mijn moeder niet geloven. Toch, ze was sterk en had een enorme wilskracht, als ze die energie had aangewend om te revalideren, was ze zeer waarschijnlijk binnen 6 maanden weer thuis geweest. Mijn moeder deed echter precies het tegenovergestelde en wendde haar koppigheid en verbetenheid aan om niet te revalideren. De wilskracht die haar weer op de been had kunnen helpen, kluisterde haar nu aan het ziekbed. Ze minachtte de doktoren en sloeg alle adviezen in de wind. Het werd nooit meer goed, alleen maar minder. De medicijnen maakten haar mild en zacht, maar zorgden ook voor hallucinaties, waardoor de gesprekken steeds moeizamer verliepen. De ouderdom kwam ineens vreselijk snel; ze vermagerde, het haar werd dun en grijs, de ogen flets. Ze sleet haar dagen in bed, starend uit het raam, teruggetrokken in haar eigen wereldje. In oktober 2013 brak de laatste fase aan. Ook toen, net als na het overlijden van haar man, was er sprake van een trieste paradox. Want tijdens haar leven had ze geen kans onbenut gelaten om duidelijk te maken hoe verbitterd en teleurgesteld ze was. In alles, in iedereen, in het leven zelf. Het leven was voor haar geen geschenk, maar iets wat je moest doorstaan. En toch hunkerde ze in die laatste fase naar nog een dag, nog een uur, nog een minuut. Het is zo jammer dat er geen tijd meer is, zei ze een paar weken voor haar overlijden tegen haar kleindochter.

Ze overleed op donderdag 16 oktober 2013, half vijf in de ochtend in Bornia Herne in Leeuwarden. Op maandag 21 oktober 2013 werd ze in besloten kring gecremeerd in Goutum. Maartje Sikkes Dijkstra werd 90 jaar oud.

Overlijden Maartje 000