Allard Thomas (1864-1917)

allard-d-beetgum

Plaats In De Stamboom
Ouders: Thomas Alles Dijkstra (1823-1880) & Sjoukje Sytses Dijkstra (1827-1902)
Grootouders: Alle Thomas Dijkstra (1790-1836) & Jacob Annes Hemrica (1799-1861)
Overgrootouders: Thomas Meinderts Dijkstra (1754-1814) & Antje Foppes Fopma (1749-1823)

Allard Thomas Dijkstra werd op dinsdag 5 juli 1864, des morgens ten zeven ure te Beetgum geboren. Hij was het eerste en enige kind van de 41-jarige Thomas Alles Dijkstra en de 36-jarige Sjoukje Sytses Dijkstra. Wanneer het gezin precies uit Beetgum vertrok, is niet duidelijk, maar in december 1870 woonden zij op de Rijks Straatweg onder Bergum (nu: Noordbergum). Op vrijdag 4 juni 1875 verhuisden ze vervolgens naar het buurtschap Kooten (Achtkarspelen) en vestigde zich in het huis genummerd 232. Ook dat bleek van korte duur, want amper een jaar later vestigden ze zich te Eestrum, in het huis genummerd 100 C. Toch zouden ze uiteindelijk weer naar Beetgum terugkeren, waar op dinsdag 8 juni 1880 Allard’s vader op 57-jarige leeftijd overleed. Allard zou krap vier weken later zestien jaar oud worden. Het overlijden van zijn vader moet een enorme klap voor hem geweest zijn, want vanaf dat moment raakte hij regelmatig in de problemen. Hij was groot en sterk en stond al gauw bekend als de schrik van Beetgum.

Op vrijdag 14 maart 1884 werd Allard vrijgesteld van militaire dienst omdat hij de eenige wettige zoon” in het gezin was. Maar dankzij de militaire keuring is er wel een beschrijving van hem bewaard gebleven:

  • Lengte: 1 Meter 723 millimeter
  • Aangezigt: ovaal
  • Voorhoofd: rond
  • Oogen: grijs
  • Neus: ordinair (= gewoon)
  • Mond: idem
  • Kin: rond
  • Haar: blond
  • Wenkbraauwen: idem
  • Merkbare teekenen: geene

Op zaterdag 28 april 1888 moest hij voor de rechtbank verschijnen “wegens het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van aan een ander toebehoorend goed”. Beter gezegd: “het inslaan van ruiten.” Een week later, op zaterdag 5 mei 1888, werd hij veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Hij ging echter in beroep en haalde zijn gelijk. Het Hof vernietigde het vonnis en Allard werd vrijgesproken “op grond dat het overtuigend bewijs niet is verkregen.” Op donderdag 21 juni 1888, vijf dagen nadat het Hof zijn straf had teruggedraaid, moest hij andermaal voor de rechter verschijnen, ditmaal wegens mishandeling. Amper 48 uur later, op zaterdag 23 juni 1888, stond hij alweer voor de rechter en wederom wegens mishandeling. Voor het eerste vergrijp (van 21 juni) werd hij veroordeeld tot 10 dagen, en voor het tweede (van 23 juni) tot een maand gevangenisstraf. Alles bij elkaar verbleef hij dus 40 dagen achter de tralies van de Blokhuispoort. Op zaterdag 20 oktober 1888 was het weer raak. Ditmaal verscheen hij voor de rechter wegens “diefstal en vernieling van eens anders goed.” Een week later werd hij vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Het was in deze periode dat Allard in de ban raakte van het socialisme. Hij stopte met het drinken van alcohol en verdiepte zich in socialistische boeken en pamfletten. In 1890 werd hij secretaris van ‘Broedertrouw’, de vakvereniging voor landarbeiders.

Hij was 27 jaar oud, toen hij op donderdag 3 september 1891 in het huwelijk trad met de 17-jarige Fokje Everts de Vries. Fokje was dus nog minderjarig. Ze was echter ook hoogzwanger, dus het het huwelijk kon niet langer worden uitgesteld. Fokje was op dinsdag 26 mei 1874, des avonds ten zes ure te Beetgum geboren en was het tweede kind van Evert Romkes de Vries en moeder Grietje Piebes de Vries. Vader de Vries was ook al eens voor de rechter verschenen. In december 1880 moest hij voorkomen wegens diefstal en werd tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld. Hij was koopman van beroep en handelde onder andere in “aardappelen, kippen, konijnen en stroo.” Fokje’s ouders waren bij het huwelijk aanwezig, net als Allard’s moeder. Hieronder de handtekeningen van Allard, Fokje en de aanwezige ouders. Als getuigen traden op:

  • Johannes Cornelis Tamson, 46 jaar, gemeentesecretaris, woonachtig te Menaldum, aan den gehuwden vreemd
  • Fetze van Solkema, 46 jaar, klerk, woonachtig te Menaldum, aan den gehuwden vreemd
  • Johan Christiaan Kalverboer, 50 jaar, veldwachter, woonachtig te Menaldum, aan den gehuwden vreemd
  • Hendrik van der Laan, 41 jaar, veldwachter, woonachtig te Beetgum, aan den gehuwden vreemd

hand-allard-en-fokje

Allard en Fokje kregen samen de volgende kinderen:

  1. Thomas, 25 december 1891 te Beetgum – 11 september 1969 te Kalamazoo, Michigan, USA (77 jaar)
  2. Grietje, 28 september 1893 te Beetgum – 1986 (93 jaar)
  3. Evert, 24 februari 1897 te Beetgum – 25 november 1976 te Kalamazoo, Michigan, USA (79 jaar)

Allard was inmiddels secretaris geworden van de plaatselijke afdeling van de Sociaal-Democratische Bond en in 1893 werd hij gekozen tot voorzitter. De Sociaal-Democratische Bond (SDB) was opgericht in 1881 en was de eerste socialistische partij in Nederland. In de jaren tachtig en negentig van de 19e eeuw verkeerde Nederland in een politieke crisis. De schreeuw om hervormingen werd luider en overal vonden openbare vergaderingen en bijeenkomsten plaats. Tot overmaat van ramp verkeerde Nederland ook in een economische crisis. De krant schreef in juni 1893: “De werkloosheid in Friesland neemt, helaas! toe. Tal van kregele arbeiders reizen alles af om werk te krijgen, doch te vergeefs. En dat in den besten tijd van het jaar.” De krant had gelijk: in de zomer kon men normaal gesproken het hoofd nog wel boven water houden. Maar zelfs dat was moeilijk in de zomermaanden van 1893. En in de winter werd alles alleen maar erger, want dan kwam het werk bij de boer en in de veenderijen stil te liggen. De mannen werden werkloos en hun gezinnen leden honger.
Alleen in de vlasbewerking kon in de wintermaanden nog wat verdiend worden. Vlas werd rond de 100e dag (maart, april) van het jaar gezaaid. Daarna duurde het vervolgens weer 100 dagen voordat de plant volgroeid was. Tijdens de bloeiperiode kleurde het vlas lichtblauw, als een golvende zee. De oogst gebeurde met de hand, waarbij de plant met wortel en al uit de grond moest worden getrokken. Uiteindelijk werd er van vlas linnen gemaakt en werden de zaden vermalen tot lijnzaadolie. Het braken (breken) van het vlas gebeurde in een zogenaamde vlasschuur. Het werk was zwaar en ongezond; scherpe, fijne stof zorgde voor ontstoken ogen en aanhoudende hoest. Alleen uit wanhoop ging iemand vrijwillig de braakschuur in, werd er wel gezegd. Toch, hoe zwaar en ongezond het werk ook was, voor velen was er geen alternatief.

In januari 1895 hoorde Allard bij toeval dat de voorraad vlas binnen 14 dagen uitgeput zou zijn. Werkloosheid dreigde. Hij schreef de burgemeester een brief, met het verzoek een commissie in het leven te roepen die een nieuwe voorraad vlas moest inkopen. De burgemeester reageerde niet en op dinsdag 5 februari 1895 gaf Allard de dorpsomroeper van Beetgum opdracht de bevolking op te roepen naar een speciale vergadering te komen. In totaal 40 arbeiders zaten die avond bijeengepakt in de catechisatiekamer van de Hervormde Kerk. Veldwachter Hendrik van der Laan was er ook, om een oogje in het zeil te houden. Allard leidde de vergadering en verschillende voorstellen werden besproken. Hij was een begenadigd spreker en kon goed debatteren. Hij was slim, sluw en volkomen beheerst: “Hij verpraatte zich haast nooit, en zeide alleen wat op den ander de gewenschte uitwerking kon hebben.” Een man ook die met een stalen gezicht onwaarheden kon verkondigen en “op elk gat een spijker kon vinden.” Later die avond overhandigde Allard een motie aan de burgermeester. In de nacht werden er in het dorp pamfletten opgehangen om hun eis meer kracht bij te zetten. De motie werd aangenomen. Allard radicaliseerde echter ook en hij was van mening dat “als je honger had, het recht had te nemen van wie wél hadden.” Honger kende geen wetten.

8 mei 1895mei-1895

Donderdag 5 december 1895 was een gure dag met regen en een stormachtige wind. In Britsum waren boer Haitsma, zijn huishoudster Iemkje Jansma en haar broer Sieds die avond om negen uur naar bed gegaan. In de woonkamer stond de olielamp nog op een laag pitje te branden. Sieds Jansma werkte op het turfschip van zijn vader, maar sliep die avond op de boerderij om een oogje in het zeil te houden. In Beetgum was de week daarvoor ingebroken en de 53-jarige boer Haitsma – een zeer zenuwachtige en gejaagde man – was bang dat hij wel eens het volgende doelwit kon zijn. Hij had geld en dat was bekend. Hij kreeg gelijk, want tussen elf en twaalf uur die avond drukten twee inbrekers een glasruit in en klommen naar binnen. Boer Haitsma en Sieds stormden de bedstede uit. Er werd gevochten en de olielamp kletterde op de grond. Iemkje ondertussen rende naar de voordeur, waar ze oog in oog kom te staan met een derde overvaller. Binnen werd er nog altijd stevig gevochten, geschoten zelfs, en Sieds werd getroffen door een schampschot in de nek en een kogel in het dijbeen. Hij bloedde hevig.
Ondanks het feit dat boer Haitsma, Iemkje en Sieds in eerste instantie verklaarden geen van de drie overvallers (in de duisternis) te hebben herkend, werd al snel gesuggereerd dat de gebroeders Hogerhuis wel eens iets met de zaak te maken konden hebben. Wiebren Hogerhuis werd gearresteerd, verhoord en weer vrijgelaten. Haitsma, Iemkje en Sieds hadden echter het licht gezien, want ze waren er nu van overtuigd dat ze de gebroeders Hogerhuis die nacht hadden herkend. De gebroeders werden gearresteerd. In de weken na de arrestatie kwamen Allard en zijn schoonvader Evert de Vries bijna dagelijks bij de familie Hogerhuis over de vloer, om de vrouwen met raad en daad bij te staan. Ze zamelden geld in voor een goede advocaat en stuurden brieven naar de gebroeders Hogerhuis om ze een hart onder de riem te steken. Jan Hogerhuis echter, de vierde broer, die niet in verband werd gebracht met de inbraak, was van mening dat Allard een van de daders was. De relatie tussen de beide families bekoelde. Tijdens het proces kreeg de advocaat van de gebroeders Hogerhuis een anonieme brief met daarin onder andere de volgende passage: “Daar ik u graag eenig licht wil geven in de zaak-Hogerhuizen, schrijf ik u deze regels. Dat Paulus van Dijk, Allart Dijkstra en Siebolt Alberda de daders zijn.” De beschuldigingen waren minstens zo wankel als de beschuldigingen tegen de gebroeders Hogerhuis en in eerste instantie werd er niets met de brief gedaan. Wel begonnen de namen van de drie rond te zingen. Ondertussen was Friesland in de greep van het meest geruchtmakende en controversiële proces uit haar geschiedenis. Een proces waarin de gebroeders Hogerhuis tot zware straffen werden veroordeeld: Wiebren tot twaalf, Marten tot elf en Keimpe tot zes jaar gevangenisstraf. Maar de publieke opinie verhardde, zeker nu de namen van de vermeende daders bekend waren. Allard werd overal met de nek aangekeken. Hij kon nauwelijks werk vinden en “zij spraken nog slechts elkander en hunne familie.” Toen zijn vrouw het sterfbed van haar jongste broer wilde bezoeken, werd zij tot aan zijn huis uitgejouwd. Siebolt Alberda vertrok naar Duitsland en Paulus van Dijk naar Amerika. Paulus verklaarde: “Wat was nu mijn leven? Door de wereld verdacht gemaakt, door mijn vroegere vrienden veroordeeld, door mijn vrouw bespied, mijn zaak naar de maan.”

Het Friesch Volksblad verkondigde onomwonden dat eerdere inbraken te Menaldum en Beetgum ook door het trio van Dijk-Dijkstra en Alberda waren gepleegd. De befaamde Pieter Jelles Troelstra begon zich ook in de zaak te mengen, want ook hij was er van overtuigd geraakt dat de gebroeders Hogerhuis onschuldig waren. In zijn memoires schreef hij: “De mannen, die als ware daders werden aangewezen, waren begonnen met een poging zich door brutaliteit te redden: vooral Allard Dijkstra muntte in die methode uit.” De 25-jarige Klaas Stienstra uit Beetgum schreef een artikel in het Friesch Dagblad, waarin hij verklaarde er zeker van te zijn dat Allard een van de inbrekers was. Sterker nog; hij was er van overtuigd dat ook Allard’s vrouw Fokje precies wist hoe het zat. Allard reageerde getergd en klaagde Stientstra aan “wegens aanranding van goeden naam en eer.” Op maandag 21 juli 1897 schreef Allard in Hepkema’s Nieuw Advertentieblad:

Ik onderteekende Allard Dijkstra verklaar dat ik in den avond van 5 Dec. 1895 met mijn vrouw ’s avonds omstreeks 7 uur naar Beetgum (ik woon in Beetgummermolen) ben gewandeld naar Paulus van Dijk, dat wij onafgebroken te zamen zijn geweest, n.l. P. van Dijk en vrouw en ik en m’n vrouw, onder het genot van een kopje koffie tot omstreeks 12 uur, dat mijn vrouw en ik toen naar huis zijn gewandeld, terwijl P. van Dijk en vrouw ons een eindje op weg hebben gebracht in ’t begin van ’t zgn. bosch (roode hoos), dat wij omstreeks halfeen zijn thuis gekomen, dat twee getuigen voor den Off. v. Just. hebben verklaard, dat ze mij omstreeks dien tijd met mijn vrouw uit de richting van Beetgum (P. van Dijk woont te Beetgum) hebben zien komen; dat nog twee andere getuigen eveneens ’n verklaring voor den Off. v. Just. hebben afgelegd, dat ze ons tusschen twaalf en een uur hebben te huis hooren komen. En nu ten slotte sommeer ik alle weters te zamen om met een enkel grondig bewijs aan te toonen, dat in deze verklaring ook maar één enkele leugen is, om dien dan ten spoedigste bij den Off. v. Just. te brengen en daarbij met alle recht te verklaren dat ik met op zet lieg.

Allard werkte in die tijd bij de firma Douma te Engelum. Toen hij solliciteerde voor een betrekking bij de posterijen, vroeg hij de heer Douma om een getuigschrift. De heer Douma verklaarde: “dat Allard Dijkstra gedurende 12 achtereenvolgende jaren bij hem gewerkt heeft met de meest nauwgezette ijver, waarom hij hem gerust durft aanbevelen voor de betrekking.” Ook landbouwer S. Bergstra, koopman A. v.d. Schaaf, geneesheer C.A. Kuipers Dijken en gemeentearchitect H.S. Reitsma, allen uit Beetgum, kwamen met positieve verklaringen.

Koemarkt Leeuwarden 19121912-leeuwarden

In oktober 1898 werd hij door drie arbeiders te Beetgum uitgejouwd. Volgens Allard’s getuigenis was hij gedwongen naar het huis van zijn moeder te vluchten. Toen hij later het huis verliet, werd hij opgewacht door een schare jouwende en joelende dorpsbewoners. Een van de mannen had hem toegeschreeuwd: “jou met jou rottige smerige familie zult nooit meer genot hebben.” De zaak kwam voor de rechter, waar de verdachten “beleediging in koelen bloede” ten laste werd gelegd. Tijdens de rechtszaak was het vooral Allard’s vrouw Fokje die van zich deed spreken. Toen een van de beklaagden suggereerde dat zij wel wist dat haar man de inbraak had gepleegd, stapte ze woedend op hem af en riep: “dou liegst het smeerlap.” Allard en een deurwaarder moesten haar tegenhouden en kalmeren. En toen Mr. Troelstra haar een vraag stelde, antwoordde zij: “op vragen van Troelstra weiger ik te antwoorden.” Maar al met al werd de situatie onhoudbaar. Allard was nu al elf maanden zonder werk. Hij sloot zich overdag op en durfde alleen in de nacht het huis te verlaten. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij op zaterdag 9 april 1898 met zijn gezin uit Beetgum vertrok. Het gezin vestigde zich in Leeuwarden, waar ze op verschillende adressen woonden: Baljeestraat, Nieuweburen, Groot Schavernek en in de voormalige Fabriekssteeg.
Voor Allard moet het leven in Leeuwarden ontnuchterend zijn geweest: hij was jarenlang de spreekbuis van de arbeiders geweest, had zich verzet tegen uitbuiting en onrecht, en nu was hij gedwongen in zo’n gehate fabriek te werken. Hij werkte eerst als pakknecht en later als opzichter bij de Stroo-Cartonfabriek aan de Potmarge te Leeuwarden. Vriendjespolitiek, beweerden Allard’s tegenstanders. Allard verklaarde: “Laat ik u zeggen, dat ik er voor f 5,- in de week gekomen ben, zoals ieder ander er komt, en dat ik nu 10 a 12 cent per uur verdien met zwaren arbeid.”

Op donderdag 9 februari 1899, rond 21.20 uur in de avond, brak er brand uit in het nieuwe ketelhuis van de fabriek. “Snel greep het vuur om zich heen. Toen tien minuten na het ontdekken van den brand de brandmeesters op het terrein verschenen, stonden zij tegenover een geweldige vuurmassa, die zich van seconde tot seconde uitbreidde. (..) De hemel boven de stad kleurde zich fel rood; een vonkenfontein spatte omhoog en over de stad snerpte het suizen der vlammen. (..) Als uit een reuzenoven stegen vlammen en lichtgekleurde rookwolken omhoog, de laatste sprankelend van miljoenen tintelende vonken.” De papiermachinezaal, het ketelhuis, het kantoor en een klein magazijn met afgewerkt strokarton gingen in vlammen op, de rest van de gebouwen bleef gespaard.

De fabriek had echter een slechte reputatie (zij stond “in zeer slechten reuk” aldus de krant) en stond alom bekend als “de armen en beenenfabriek.” Het dagblad de Tijd schreef op vrijdag 28 september 1900: “Gisteren drie ongelukken. ’s Morgens werden er twee vingers, ’s middags een arm en ’s avonds vier vingers verspeeld.” Maar het waren met name de opzichters die zich beestachtig gedroegen en die “door middel van vloeken, godslastering en van de zweep het fabriekvolk tot meerderen en beteren arbeid aansporen.” Begin september 1900 werd een 70-tal arbeiders ontslagen omdat zij een vereniging wilden oprichten. Die vereniging wilde niet zozeer ijveren voor hogere lonen, maar voor betere arbeidsomstandigheden. De mannen werden ontslagen omdat zij hun grieven niet aan de directie hadden voorgelegd. Dagblad Het Volk schreef op donderdag 6 september 1900: “Men ziet dat de direktie de arbeiders volkomen als haar slaven beschouwt. Zij alleen zal bepalen onder wiens voorzitterschap de werklieden mogen bijeenkomen, òf zij zelfs wel mogen bijeenkomen, hoe zij hun grieven moeten formulieren, enz. Wie ’t anders doet, mag verhongeren.” De situatie escaleerde en een deel van de nog werkende arbeiders ging in staking. Aan de andere kant werden arbeiders van buitenaf aangetrokken om de fabriek draaiende te houden. Zij werden onder begeleiding van de marechaussee van het stadion gehaald en naar de fabriek gebracht. Toch was de fabriek bijvoorbeeld op vrijdag 14 september 1900 de gehele dag gesloten, omdat er niet genoeg arbeiders waren om het werk te doen. Allard, de eens zo radicale socialist, koos de zijde van de directie en probeerde de staking te breken.

De fabriek zou de brand van 1899 nooit meer echt te boven komen. Er ontstond een diepgaand meningsverschil met de gemeente Leeuwarden over de wederopbouw, waarbij de gemeente zich met name zorgen maakte over het feit de dat strokarton fabriek zwavelzure zouten in de Potmarge loosde. De vergunningen kwamen er niet en begin 1911 werd de fabriek failliet verklaard. Allard was weer werkloos. Hij begon een winkeltje in groenten en darmen en werkte enige tijd in een darmenwasserij.

noordam

In maart 1914 reisde Allard met zijn vrouw en drie kinderen naar Rotterdam en ging op zaterdag 21 maart aan boord van het stoomschip Noordam (het was de Noordam die de Titanic waarschuwde voor ijsvelden). Het schip lag aan de Wilhelminakade, waar een 53-jarige bootwerker in de nacht van 20 op 21 maart in het ruim tuimelde en met “een gebroken schedel” naar het ziekenhuis werd vervoerd. Hij zou later aan zijn verwondingen overlijden. Toch, om 11 uur 5 in de ochtend van de 21e maart was het schip op zee en op weg naar Amerika. Aan boord waren 81 eerste, 276 tweede en 1.250 derde klas passagiers, inclusief de passagiers die in Boulogne-sur-Mer (Frankrijk) werden opgehaald. Op zondag 22 maart passeerde het schip Lissabon en op zondag 29 maart passeerde het Kaap Race (Newfoundland, Amerika). Een dag later werd Halifax (Canada) bereikt, waar een aantal passagiers van boord ging. Op woensdag 1 april 1914 bereikte het schip Ellis Island, New York. Het is vrijwel zeker dat Allard vooraf contact heeft gehad met vrienden of familie in Amerika (of – wie weet – Paulus van Dijk), want bij zijn vertrek uit Nederland liet hij noteren dat hij zich in Lafayette, in de staat Indiana, zou vestigen.

emogratie

Uiteraard moesten de Hollandse namen in Amerika enigszins worden aangepast. Zo veranderde Dijkstra in Dykstra, Fokje werd Florence, dochter Grietje werd Grace en zoon Evert werd Everett. Alleen Allard en zijn zoon Thomas konden de Amerikaanse tongval doorstaan. Of de familie daadwerkelijk in Lafayette heeft gewoond, is niet bekend. In de census van 1910 komt Allard uiteraard niet voor, omdat hij toen nog in Leeuwarden woonde. In de census van 1920 komt zijn naam ook niet voor, omdat hij toen al overleden was. Het gezin woonde in 1917 in ieder geval op 413 Lake Street, in de plaats Kalamazoo (Michigan), ruim 284 kilometer ten noorden van Lafayette (Indiana). Hij werkte er als arbeider in de papierfabriek.

lake-paper

Op dinsdag 30 oktober 1917 voelde Allard zich niet lekker, “stond hij op en ging naar buiten om wat versche lucht te scheppen. Plotseling echter zakte hij op de stoep ineen en toen de andere huisgenooten hem te hulp kwamen, waren de levensgeesten reeds geweken. Dijkstra laat zijne weduwe, twee zoons en ene dochter na.” De lijkschouwer, de heer Roskam, gaf als doodsoorzaak op: “hartverlamming veroorzaakt door beroerte.” De begrafenis vond plaats op donderdag 1 november 1917, onder leiding van dominee S. Eldersveld, en hij werd begraven op Riverside Cemetery te Kalamazoo. Allard Thomas Dijkstra werd 53 jaar, 3 maanden en 24 dagen oud.

death-allard

Fokje ging in maart 1919 terug naar Nederland en trok weer in bij haar ouders. Ze hertrouwde in april 1921 te Leeuwarden met Johannes Antonius van Schaik. Hoe het haar verder is vergaan, is helaas onbekend. Haar drie kinderen kozen voor Amerika en keerden niet terug naar Nederland. De naam Allard komt nog steeds voor in de Amerikaanse familie Dykstra. Zoon Thomas bijvoorbeeld noemde zijn eerste zoon Allard (laatstgenoemde overleed in 2011) en anno 2016 woont er nog altijd een Allard Thomas Dykstra in Michigan. Zijn naam leeft dus voort, niet alleen in de boeken en publicaties over de zaak Hogerhuis, maar ook aan de andere kant van de oceaan.

riverside

Advertenties