Reinskje Sijbrands (1824-1896)

 

Plaats In De Stamboom
Ouders: Sybren Djurres Radelaar (1785-1855) & Joukjen Walles (1786-1859)
Grootouders: Trijntje Jelles Bruinsma (1751-1798) & Djurre Hendriks (1749-1798)
Overgrootouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

Op donderdag 22 april 1824, om zes uur in de avond, liet de 39-jarige Sijbrand (Sybren) Djurres Radelaarverwer en Glazenmaker van beroep, bij de Burgerlijke Stand te Wommels noteren dat des voormiddags Negen uren, uit hem Comparant en zijne huisvrouw Joukjen Walles een dochtertje met de naam Reinskje was geboren. Reinskje was het zevende kind in het gezin en toen zij geboren werd, was haar oudste broer Djurre al zestien, terwijl haar jongste broertje Hendrik bijna drie jaar oud was. In mei 1826 verhuisde het gezin naar eene huizinge, bestaande in een kamer en afdak, staande en gelegen te Wommels, gequoteerd met nummer veertien (huidige straatnaam: Terp). Het betrof hier de helft van de woning; in 1834 zouden vader Sijbrand en moeder Joukjen ook de tweede helft van de woning kopen.

Ook in Reinskje’s jonge leven kwamen dood, verlies en verdriet te vaak voor. Zo overleed haar broertje Hendrik in 1825 op 3-jarige leeftijd. Een tweede broertje (ook Hendrik genaamd) overleed in 1829, toen zijzelf amper 5 jaar oud was. Haar zus Sijbrigje overleed vervolgens in 1846 (Reinskje was toen 22 jaar) en haar zus Trijntje in 1847.

Reinskje was 25 jaar oud, toen ze op zondag 1 juli 1849 in het huwelijk trad met de 44-jarige Pieter Antonie Herschoe. Reinskje woonde toen in Joure, maar het is helaas niet bekend wanneer zij Wommels voor Joure heeft verruild. Zij werkte daar waarschijnlijk als dienstmeisje, maar we weten niet bij wie en per wanneer. Haar kersverse echtgenoot Pieter was bijna 20 jaar ouder en had inmiddels drie huwelijken achter de rug. Hij was op zondag 13 januari 1805 te Kampen geboren en was grofsmid van beroep. Zijn eerste vrouw (Akke Reinders de Jong) overleed op 29-jarige leeftijd, zijn tweede vrouw (Wytske Jacobus de Vries) op 30-jarige leeftijd en zijn derde vrouw (Klaaske Sakes Koopmans) op 28-jarige leeftijd. Toen hij in 1849 met Reinskje in het huwelijk trad, bracht hij drie kinderen met zich mee. Uit het tweede huwelijk waren zijn zoons Dirk (1835) en Pieter (1836) geboren, en uit het derde huwelijk Sake (1842). Pieter’s ouders waren inmiddels overleden, maar Reinskje’s ouders waren bij het huwelijk aanwezig. Als getuigen traden op:

  • Djurre Sijbrands Radelaar, 41 jaar, onderwijzer, woonachtig te Boxum, broeder der bruid
  • Johannes van Wijk, 59 jaar, veldwachter, woonachtig te Joure, geene bloed of aanverwant der jonggehuwden
  • Heine Sijbrens van Dijk, 48 jaar, veldwachter, woonachtig te Joure, geene bloed of aanverwant der jonggehuwden
  • Johannes Hermanns David Munnik, hoofdcommies, woonachtig te Joure, geene bloed of aanverwant der jonggehuwden 

handtekeningen-huwelijk-1

Reinskje en Pieter zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Joukje, 4 oktober 1852 te Joure – 19 april 1854 te Joure (1 jaar)
  2. Joukje, 29 september 1854 te Joure – 29 augustus 1879 te Tilburg (24 jaar)

joure

Het gezin woonde in het huis genummerd 30 in de Midstraat en later op Het Zand 155 te Joure. Het laatstgenoemde huis had een voor- en achterkamer, een achterhuis, een keuken, een pomp- en pothok, een bovenkamer, een zolder en aangrenzend (op nummer 154) een pakhuis. Het huis was met vele gerijflijkheden voorzien. In de achterkamer stonden onder andere een bruin eiken bureau, een staartstuk klok, een kaggchel met pijpen en een wieg met kleed. In de voorkamer stonden een bruin eiken kabinet, een bruin eiken secretaire, een ronde tafel, 12 stoelen (op zolder stonden er nog eens 15), een porseleinen scheerkom, een chocoladekan en een tabakspot. Op de vloer lag een wollen tapijt. In de keuken stond een vierkante tafel met 4 stoelen, een ijzeren vuurpot, een koperen doofpot en in het pothok stond een koperen strijkijzer, een zoutkruik en een linnenrek. In het bovenkamertje lagen vier paar nieuwe schaatsen en twee paar oude. De zolder lag volgestouwd met spullen: 2 bedden, een wollen kleed, een ronde tafel, 2 ronde spiegels, een zak met komijn en een zak met anijs, eenige vloermatten en een vat met roode verf. Op zolder lagen ook twee huisbijbels en een kleine bijbel. In het benedenhuis – ook niet in de voorkamer – lag geen bijbel. Er waren in totaal 70 kopjes, 63 schoteltjes en 105 borden in huis; het blauwe- en het lichtbruine servies niet meegerekend. Op de zolder van het kaaspakhuis stond een rijtuig zonder kap en er lagen 7 paar kinderklompen, 2 zonneblinden, 2 vaatjes met rood krijt en tientallen andere zaken. Achter het huis was een grote tuin en naast het huis liep een vrije steeg. De totale waarde bedroeg 9.464 gulden (wat nu neer zou komen op € 87.623).

Pieter had 2 duffelse- en 1 lakense jas, 3 broeken, een zwart vest, een hoed en een zwarte pet, 1 paar laarzen en 1 paar schoenen, 1 wollen- en 2 bonte onderbroeken, 2 overtreksels en 2 paar zwarte kousen. Toen hij met Reinskje in het huwelijk trad had hij het nodige meegemaakt: hij was drie echtgenotes verloren en zou ook zijn eerste dochtertje (1854) nog verliezen. En toen, na eener hevige ongesteldheid van slechts drie dagen, overleed hijzelf op zaterdag 4 november 1854, des avonds ten acht ure in het huis met nummer eenhonderd vijfenvijftig te Joure. Pieter Antonie Herschoe werd 49 jaar oud.

overlijden-herschoe

Na het overlijden van Pieter waren er drie sessies nodig om een volledige inventaris van al zijn bezittingen en schulden op te maken. Want schulden waren er ook, een hele waslijst zelfs. Zomaar een greep: 75 gulden en 80 cent aan Douwe de Vries, 1 gulden 5 cent aan Anne Polderman, 50 gulden en 12 cent aan Hotze Thomas Brouwer, 118 gulden en 19 cent aan Hendrik Holtrop, 8 gulden en 43 cent aan schoonvader Sybrand Radelaar en tientallen andere kleine en grote schulden. De totale schuld bedroeg 10.212,42 gulden (omgerekend: € 94.549). Daarnaast bezat Pieter nog een heerenhuizinge voorzien van onderscheidene ruime woonkamers, waschhuis, keuken, twee regenmakersbakken, twee kelders, koperen pomp en andere gerijflijkheden, benevens een uitmuntende tuin en uitgang naar de straat. Ook bezat hij een burgerhuis met pakhuis, een pakhuis met daarin gebouwd vier kamers, 20 woonkamers, een winkelhuizinge en een stoel met zitplaats in de Hervormde Kerk te Joure. Ook waren er 27 percelen bouwgrond die stuk voor stuk werden verkocht en alles bij elkaar 12.961 gulden opbrachten (omgerekend: € 120.001).

Op donderdag 12 en vrijdag 13 april 1855 vond ten sterfhuize van den Koopman P.A. Herschoe de openbare verkoop van zijn bezittingen plaats. De totale opbrengst van de verkoop bedroeg 1.252,40 gulden (omgerekend: € 10.828). Ene Wijtze Lubach uit Joure was ook van de partij en kocht er een paar schaatsen voor 40 cent, een kastje voor 70 cent, 2 spiegeltjes voor 15 cent, een koffiekan voor 85 cent en een koperen vogel voor 30 cent. Reinskje was een paar maanden daarvoor haar man verloren en probeerde haar leven weer op de rails te krijgen, Wijtze daarentegen was een gelukkig man, want hij zou een maand voor de eerste maal in het huwelijk treden. En toch zou het lot Reinskje en Wijtze amper twee jaar later weer bij elkaar brengen.

inboedel-verkoop

Want op zondag 12 april 1857 trad de 32-jarige Reinskje andermaal in het huwelijk, en wel met de hierboven genoemde, 31-jarige ‘horologiemaker’ Wijtze Hendriks Lubachs. Wytze was 1 meter 64 lang, had grijze ogen en zwart haar. Hij was op woensdag 4 mei 1825, ten half elf ure des avonds te Leeuwarden geboren en was het vierde kind van de 32-jarige antieksnijder annex beeldhouwer Hendrikus Lubach en de 29-jarige Johanna van der Perk. Wytze was dus in 1855 getrouwd met Volkertje, maar zij overleed een jaar later op het kraambed, tezamen met haar doodgeboren zoontje. Was Reinskje’s broer Djurre bij het eerste huwelijk één van de getuigen, nu was het haar jongste broer Hendrik die de eer kreeg. Haar vader was inmiddels overleden (amper een jaar na het overlijden van haar eerste man), maar haar moeder leefde nog. Of zij bij het huwelijk aanwezig was, is niet bekend. De getuigen:

  • Hendrik Sijbren Radelaar, 27 jaar, verwer, woonachtig te Wommels, broeder der jonggehuwde vrouw
  • Gauke Hanzes Ferwerda, 29 jaar, blikslager, woonachtig te Joure, der partijen vreemd
  • Jan Binneweg Detmar, 29 jaar, klerk, woonachtig te Joure, der partijen vreemd
  • Meine Siebrens van Dijk, 55 jaar, veldwachter, der partijen vreemd

Reinskje en Wijtze zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Johannes, 23 augustus 1858 te Joure – 19 mei 1933 te Sheboygan, Wisconsin, USA (74 jaar)
  2. Martje, 16 april 1860 te Joure – 3 december 1937 USA (77 jaar)
  3. Henderika, 12 mei 1862 te Leeuwarden -23 november 1933 te Evergreen Park, Cook, Illinois, USA (71 jaar)
  4. Trijntje, 26 maart 1865 te Leeuwarden – 21 april 1931 te Evergreen Park, Cook, Illinois, USA (66 jaar)

Vlak na hun huwelijk woonde het gezin in de goud- en zilversmederij te Joure. Wijtze werkte er als horlogemaker en reparateur van kerkklokken. Lag de Bijbel bij Reinskje’s eerste huwelijk nog op zolder, bij haar tweede huwelijk was dit absoluut niet het geval. Wijtze was opgegroeid in een orthodox gezin en hij zag zichzelf als predikant en evangelist. Hij verzette zich fel tegen de liberale stroming binnen de kerk en dit zou hem regelmatig in de problemen brengen. Dat begon al in Joure, waar hij ruzie kreeg met dominee Beeckman. Wijtze verkocht het huis en de werkplaats en vestigde zich in juni 1861 met zijn gezin in het huis genummerd 117 op het Zuidvliet te Leeuwarden. Hij schreef zich in als klokkenmaker, maar was met name druk met prediken en het uitdelen van religieuze pamfletten.

In november 1865 verhuisde het gezin naar Hoogeveen, waar ze op zaterdag 2 december 1865 werden ingeschreven. Ook hier botste het vrijwel direct met de wat meer liberale gelovigen en op dinsdag 3 juli 1866 vertrok het gezin alweer naar Emmen. Maar ook daar ging het mis, vooral omdat Wijtze in zijn catechismus lessen de nieuwe pastoor belachelijk maakte. Het maakte hem allerminst populair en de situatie escaleerde toen de ruiten van zijn woning werden ingegooid. Ook werd hij met stenen bekogeld als hij over straat ging. Niet zo verwonderlijk dus dat het gezin in maart 1870 naar Middelburg vertrok. Hem werd gevraagd de gebedsdiensten te houden voor de arbeiders die aan het spoor- en het kanaal bij Walcheren werkten. Binnen het jaar waren beide projecten echter afgerond en stond Wijtze weer op straat.

In november 1871 werd hij evangelist in de Knijpe bij Heerenveen. Ondertussen kwamen er klachten uit Middelburg dat hij de laatste maand huur niet had voldaan en dat hij het huis zoo schandelijk slordig had bewoond en verlaten. Wijtze distantieerde zich van de kritiek en merkte op dat mijne vrouw tot de brandzindelijke behoort. Hun verblijf in de Knijpe duurde slechts kort en in mei 1873 werd hij voorganger in Duurswoude en vervolgens in november 1875 in Edam. In Edam woonden ze in de pastorie op de Spuistraat en Wijtze ontving een jaarsalaris van 800 gulden. Dat bleek niet genoeg en Wijtze – en zijn zoon Johannes – begonnen geld te lenen. Die schulden werden echter maar deels terugbetaald, waardoor de zaak volledig uit de hand liep. Andermaal was het gezin gedwongen te verhuizen en in de herfst van 1881 vestigden ze zich op de Spoorstraat 2 (nu Stationsstraat) te Zaandam. In Edam had Wijtze het nodige gezichtverlies geleden. Tot overmaat van ramp sloeg zijn zoon Johannes vervolgens iemand met een biljartkeu op het hoofd en werd hij door het gerechtshof te Haarlem veroordeeld tot 10 gulden boete of drie dagen gevangenisstraf. Het gezin had geen rooie cent en kon de opgelegde boete niet betalen. Johannes moest naar de gevangenis.

Het is dan ook een klein mysterie waar Reinskje en Wijtze het geld vandaan haalden om te emigreren naar Amerika. Want dat deden ze in september 1882. Hun zoon Johannes moest in Nederland achterblijven om zijn straf uit te zitten (hij zou in december 1882 naar Amerika emigreren en zich bij zijn ouders voegen). Reinskje en haar gezin reisden naar Amsterdam, waar ze op zaterdag 23 september 1882 aan boord gingen van het stoomschip Zaandam. Hen wachtte niet alleen een lange, en niet ongevaarlijke reis over de Atlantische Oceaan, maar ook een onzekere toekomst in een ander land. Na een zeereis van ruim 15 dagen kwam het schip op maandag 9 oktober 1882 in New York aan en ging zij voor anker bij het immigratiecentrum Castle Garden (het beroemde Ellis Island opende pas in januari 1892 haar deuren). Bij aankomst in Amerika lieten zij noteren dat zij uit Duitsland afkomstig waren en Wijtze gebruikte zelfs Wilhelm als voornaam. Daarnaast gaf hij bakker als beroep op, terwijl alle andere gezinsleden lieten noteren boer van beroep te zijn. Wellicht waren er nog openstaande rekeningen en schulden in Nederland en deden ze dit om alle sporen te wissen. De opgegeven leeftijden klopten ook niet, maar omdat er in de 19e eeuw geen geboortebewijzen waren, kan dit een eerlijke vergissing zijn geweest. Maar zo was Reinskje niet 55, maar 58 jaar oud toen ze naar Amerika emigreerde. Wijtze was niet 54, maar 57 jaar was en dochter Hendrika was niet 28, maar 20 jaar oud. Ook reisde Pieter Antoon Lubach met hen mee. Dit was geen kind van Reinskje en Wijtze, maar waarschijnlijk een kleinkind uit Reinskje’s eerste huwelijk. Hij was dus geen Lubach, maar hij liet zich bij aankomst wel met die achternaam registreren.

In Amerika kon Wijtze direct aan de slag als missionaris in Saugatuck, Michigan. Maar net als in Nederland was ook dit maar van korte duur en een jaar later verhuisde het gezin naar Lansing, Cook County, Illinois, vlakbij Chicago. Wijtze werd er dominee er verdiende een salaris van 250 dollar per jaar. Weer een jaar later verhuisden ze naar Oostburg, Wisconsin, de kleinste gemeente in Amerika die het salaris van een dominee kon betalen. Alles bij elkaar had Wijtze 25 gezinnen (60 personen in totaal) onder zijn hoede. Hier zou het gezin dan eindelijk voor langere tijd blijven. Op donderdag 28 april 1887, om 1 uur in de middag, hadden Reinskje en haar gezin net het middagmaal beëindigd, toen ze bemerkten dat het andere deel van de pastorie in brand stond. In ruim een uur lag de geheele pastorie, bevattende 10 vertrekken, aan den grond. Slechts enkele dingen zijn gered. Boeken ter waarde van 275 dollar, meubelen, kleeding, alles is een prooi der vlammen geworden. Reinskje ging een aantal keren het brandende gebouw in om de kerkregisters en de boeken van haar man te redden. Het mocht niet baten en vrijwel alles ging in vlammen op. Verzekerd waren ze niet, dus letterlijk al hun bezittingen gingen in rook op.

In de herfst van 1892 was het tijd om te gaan en ditmaal verhuisde het gezin naar Palmyra, Wayne County, New York. Het was hier dat Reinskje Sijbrands Radelaar op vrijdag 15 mei 1896 overleed. Ze werd 72 jaar oud. In de eerste veertig jaar van haar leven was ze van Wommels naar Joure verhuisd, een afstand te voet van iets meer dan 25 kilometer. In de tweede helft van haar leven leidde zij een haast nomadisch bestaan waarin enorme afstanden werden afgelegd. In een tijd zonder auto’s, zonder vliegtuigen en minimaal treinverkeer:

  • Van Joure naar Leeuwarden: 31 kilometer
  • Van Leeuwarden naar Hoogeveen: 85 kilometer
  • Van Hoogeveen naar Emmen: 31 kilometer
  • Van Emmen naar Middelburg: 309 kilometer
  • Van Middelburg naar De Knijpe, Heerenveen: 276 kilometer
  • Van De Knijpe naar Edam: 104 kilometer
  • Van Edam naar Zaandam: 22 kilometer
  • Van Amsterdam naar New York: 5.862 kilometer
  • Van New York nah Saugatuck: 1.072 kilometer
  • Van Saugatuck naar Lansing: 189 kilometer
  • Van Lansing naar Oostburg: 246 kilometer
  • Van Oostburg naar Palmyra: 124 kilometer
  • Totaal 8.351 kilometer

Wijtze zou twee jaar in Palmyra blijven, daarna vertrok hij naar Midland Park (ook wel Holland Wortendyke genoemd), Bergen County, New Jersey. Hij trok in bij zijn dochter Martje en haar man John Verhey. Wijtze’s dochter Hendrika woonde ook bij hen in. In 1900 meldde de krant: Ds. Lubach, pred. te Midland Park, N.J., heeft zijn ontslag aangevraagd tegen 1 April. De jaren begonnen te tellen en het verlies van zijn vrouw Reinskje viel hem nog altijd zwaar. Het ontslag werd toegekend en hij sleet zijn laatste jaren bij zijn dochter en haar gezin. Hij overleed op maandag 31 augustus 1903 te Wortendyke, New Jersey. Wijtze Hendrikus Lubach werd 78 jaar oud en hij werd begraven op Methodist Cemetery te Midland Park. In zijn necrologie werd hij beschreven als een opgewekte, welwillende en vriendelijke man. Na een moeizaam leven in Nederland, leek hij in Amerika dus de rust en de balans te hebben gevonden. In mei 1924 werd zijn lichaam opgegraven en overgebracht naar Palmyra, waar hij naast Reinskje werd begraven.

 

 

Advertenties