Jelle Djurres (1787-1812)

Harlingen

Plaats In De Stamboom
Ouders: Trijntje Jelles Bruinsma (1751-1798) & Djurre Hendriks (1749-1798)
Grootouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

Jelle Djurres Radelaar werd op woensdag 16 mei 1787 te Harlingen geboren en aldaar gedoopt op zondag 10 juni 1787. Hij was het vijfde kind van vader Djurre Hendriks Radelaar en moeder Trijntje Jelles Bruinsma. Vader Djurre was meester timmerman, molenmaker en later koopman van beroep. Daarnaast was hij lid van de Raad der Gemeente Harlingen. Het betekende dat Jelle in relatief goede omstandigheden geboren werd. Hij groeide op in de Zuiderhaven te Harlingen, in de buurt van het Stadsweeshuis. Zoals later zal blijken kon Jelle goed lezen en schrijven, dus is het aannemelijk dat hij enige jaren op school is geweest. Het leek een onbezorgde jeugd, bevoorrecht zelfs.

Dat alles veranderde in het jaar 1798, want in de maand juli van dat jaar overleed zijn vader op 48-jarige leeftijd. Jelle was toen net elf jaar oud en het onverwachte verlies van zijn vader zal een enorme shock zijn geweest. De exacte overlijdensdatum van moeder Trijntje Jelles is nog niet gevonden, maar er zijn sterke aanwijzingen dat zij tussen 24 oktober en 20 november 1798 is overleden. Amper negentig dagen na het overlijden van zijn vader, verloor Jelle dus ook zijn moeder. Als zijn moeder inderdaad eind 1798 is overleden, dan heeft een familielid aan vaders- of moederszijde de kinderen enige jaren in huis genomen. Want pas op dinsdag 14 juli 1801 werd Jelle, samen met zijn broer Johannes en zijn zusje Sybrigje, in het Stadsweeshuis van Harlingen opgenomen (voor zijn oudere broer Sybren gold dit niet). Jelle was 14 jaar en 2 maanden oud toen hij de onbekende wereld van het weeshuis betrad.

Registratie Weeshuis

Het Stadsweeshuis (heel toepasselijk gevestigd in de Weeshuisstraat) in Harlingen had een reputatie. In 1788 vond er een oproer plaats tegen de weesvader en moeder. Ze werden, aldus de kinderen, geslagen, leden kou en hadden voortdurend honger. Zo was de weesvader al meerdere malen stomdronken geweest en namen familieleden van de weesmoeder regelmatig voedsel van het weeshuis mee. Waardoor er per saldo nog minder overbleef. De weesmoeder werd trouwens door de weesmeisjes Oude Duivel genoemd. De zaak kwam voor het Gerecht, waar de weesvader en moeder (uiteraard zou je bijna zeggen) in het gelijk gesteld werden. De ergste oproerkraaiers werden veroordeeld tot tweemaal een etmaal in de pekelkuip. Eer vreselijke straf als je bedenkt dat pekel op de naakte huid brandwonden veroorzaakt. De rest van de raddraaiers ging op water en brood. Daarnaast moesten zij de weesvader en moeder op het deemoedigst om excuus Smeken wegens hun Goddeloos gedrag. Helaas zijn er weinig verslagen bewaard gebleven van weeskinderen in het begin van de 19e eeuw. Maar de fragmenten die er zijn schetsen een somber beeld: een streng regiem, werkdagen van 12 uur en allerlei misstanden waren blijkbaar normaal in de weeshuizen. Daarnaast was er nauwelijks sprake van enige genegenheid, laat staan liefde, voor de kinderen. In het weeshuis werden ze klaargestoomd voor de maatschappij en het is een wrange gedachte dat veel weeskinderen een betere kans op scholing en een vakopleiding kregen dan gebruikelijk was in het milieu van waaruit ze afkomstig waren. Ook zijn er voorbeelden te vinden van kinderen die, lang nadat zij het weeshuis verlaten hadden, een verzoek tot financiële ondersteuning indienden bij het weeshuis. Dergelijke verzoeken werden soms wel degelijk gehonoreerd. Dat is dus een andere kant, een ander gezicht ook, van het weeshuis. Wat er zich allemaal heeft afgespeeld in de jaren dat Jelle er verbleef, zullen we nooit weten. Wel is er een lijst met kledingstukken achtergebleven die hij in de loop der jaren van het weeshuis ontving:

Fragment:Fragment JelleJelle Weeshuis

Over de kwaliteit van de kleding hoeven we ons niet al te veel illusies te maken, ondanks het feit de burgers van Harlingen in 1805 hun beklag deden over het feit dat de weeskinderen te netjes gekleed gingen. Verschil moest er blijkbaar zijn en het was niet de bedoeling dat een weeskind beter gekleed ging dan het kind van de bakker, schoenmaker of  touwslager. Wie niets of niemand had in dit leven, moest dat ook uitstralen. In de lijst met kledingstukken zien we met regelmaat het woord rokje genoemd worden. Dit is niet de rok zoals wij die kennen, maar een jasje (afgeleid van het Franse woord frak). Zo zien we pas in 1803 twee bonte onderbroeken verschijnen. Eén paar sokken in het jaar 1801, een ander paar in 1802 en pas in 1805 nog drie paar. De drie witte hemden die Jelle in 1805 kreeg, werden niet zijn bezit; mocht hij het weeshuis verlaten dan moesten ze weer worden ingeleverd.

Zoals gezegd kregen veel weesjongens een vakopleiding. Zo was Jelle bijvoorbeeld bakkersknecht. Het was echter van korte duur, want op 19-jarige leeftijd meldde hij zich als soldaat en op zaterdag 11 oktober 1806 werd hij ingedeeld bij de Fuseliers. Heel vreemd was dat niet, want in het jaar 1798 bijvoorbeeld waren er zo’n 228 Fuseliers der Gewapende Burgerwagt de Harlingen aanwezig. De aanblik van – en de interactie met – soldaten in Harlingen zal dan ook heel normaal zijn geweest. Toen Jelle zich in 1806 liet registreren bij de Fuseliers, deed hij dat geheel vrijwillig. Nederland was toen al geruime tijd bezet door de Franzen onder Napoleon, en Napoleon’s broer Lodewijk was de Koning in ons land. Napoleon had er bij zijn broer al meerdere malen op aangedrongen de dienstplicht in Nederland in te voeren. Want zijn honger naar veldtochten, en dus ook manschappen, was niet te stillen. Een Nederlands leger van 40.000 dienstplichtige mannen had hij in gedachten, waarbij weesjongens sowieso tot de dienst moesten worden verplicht. Broer Lodewijk zag dat echter niet zitten. Nederland telde aan het begin van de 19e eeuw zo’n 2 miljoen inwoners (iets minder dan 1 miljoen van het mannelijk geslacht, inclusief baby’s en bejaarden), en Lodewijk vond het te ver gaan om daar nog eens 40.000 van tot de dienst te verplichten. Pas in 1810, toen Napoleon de scepter in Nederland van zijn broer overnam, werd de dienstplicht ingevoerd en werden weesjongens inderdaad gedwongen het leger in te gaan. In 1806 was daarvan echter nog geen sprake.

Dienst Jelle

Op 4 februari 1810 werd Jelle gepromoveerd tot korporaal van het 5e Regiment d’Infanterie Hollandaise. Op dinsdag 31 juli 1810, dus bijna vier jaar nadat hij het weeshuis had verlaten, kreeg de wees Jelle Jurres Radelaar een bedrag van zestig gulden voor eene uitzet van de regering dezer Stad (Harlingen). Nu was dat niet voor de aanschaf van potten en pannen, maar  waarschijnlijk voor zijn militaire uitrusting. Acht maanden later, op zaterdag 6 oktober 1810, werd zijn legeronderdeel samengevoegd met het 1e bataillon, 8e Regiment d’Infanterie Hollandaise, en samen vormden ze het 126e Régiment d’infanterie de Lingne. Dankzij deze inschrijving is er een beschrijving van hem bewaard gebleven:

  • Taille du’n Mètre – Lengte: 1 meter 60
  • Visage – Gezicht: lang
  • Front – Voorhoofd: smal
  • Yeux – Ogen: blauw
  • Nez – Neus: normaal
  • Bouche – Mond: normaal
  • Menton – Kin: kuiltje in de kin
  • Cheveux – Haren: blond
  • Sourcils – Wenkbrauwen: blond
  • Marques Particulières – Merkbare Tekenen: geen

Hij werd gestationeerd nabij Antwerpen, waar de troepen zich opmaakten voor de veldtocht tegen Rusland. Op maandag 20 april 1812 zette het enorme leger zich in beweging. Te voet uiteraard, hoe anders. In zijn brief zou hij later schrijven dat hij 371 marsuren van Harlingen verwijderd was, ofwel ruim 1.600 kilometer. Het eerste gedeelte van de veldtocht verliep voorspoedig. In Duitsland was er eten en drinken in overvloed. Zelfs in de steden, die uitpuilden van de soldaten, was er aan voedsel geen gebrek. Dat alles veranderde toen de troepen de (huidige) Poolse grens overstaken. Voedsel werd niet alleen schaars, het was veelal helemaal niet aanwezig. Het mergelde de soldaten uit en gek van honger pleegden velen van hen zelfmoord. Lang was er de hoop dat de situatie in Rusland zou verbeteren. Dat bleek echter een illusie. In Rusland trokken de troepen door uitgestorven dorpen, waar niets te eten en te drinken was achtergelaten. Jacob Walter beschrijft in zijn dagboek hoe ze een achtergebleven varken aan stukken sneden en rauw opaten omdat mijn honger niet kon wachten op een gelegenheid om het vlees te koken. Jelle schreef vanuit Rusland een brief aan zijn familie. Wat daarin opvalt is dat hij met geen woord rept over de ellende die hij toch dagelijks moet hebben gevoeld en gezien. Aan de andere kant is het begrijpelijk dat hij zijn familie niet ongerust wilde maken. En toch is er die ene zin in zijn brief die het hele verhaal vertelt: Daarom lieve broeder kan ik niet laten om u te schrijven daar ik niet weet of ik in langen tijd uw weder zal kunnen schrijven en mogelijk nooit niet meer. Nooit niet meer, dat zijn woorden van een man die genoeg leed heeft gezien om te weten dat zijn leven in gevaar is.

Layout 1

Er is lange tijd discussie geweest over de vraag hoeveel Nederlanders daadwerkelijk aan de Russische Veldtocht hebben deelgenomen. Schattingen varieerden van 15.000 tot 28.000. Door recente ontdekkingen in Nederlandse en Franse archieven wordt het cijfer nu geschat op 20.225 Nederlanders. Van hen hebben slechts zo’n 500 de veldtocht overleefd! Zoals we op het kaartje kunnen zien, nam het 126e Regiment de noordelijke route. De Franse troepen marcheerden door het hart van Rusland en trokken op maandag 14 september 1812 zegevierend Moskou binnen. Het bleek een Pyrrusoverwinning, want in de nacht van 15 op 16 september staken de Russen Moskou in brand. Het duurde vervolgens nog tot maandag 19 oktober 1812 voordat Napoleon inzag dat de zaak verloren was en bevel gaf voor de terugtocht. Het 126e Regiment, waar Jelle deel van uitmaakte, boog naar het zuiden af om zich bij de terugtrekkende hoofdmacht te voegen. Bij de Berezina rivier aangekomen bleek dat de Russen de brug over de rivier hadden verwoest. De rivier was nog niet dichtgevroren, maar was vol ijsschotsen. Napoleon’s leger zat in de val. In allerijl liet Napoleon twee nieuwe bruggen slaan ten noorden van de plaats Borisov. Ondertussen kreeg onder andere het 126e Regiment van Jelle de opdracht stand te houden bij Borisov zelf, om de Russen in de waan te laten dat Napoleon daar de rivier over wilde steken. Een Nederlandse ooggetuige schreef: “Wij behoefden niet ver te marcheren om de Russen aan te treffen, want wij waren rondom door hen ingesloten en daar wij bestemd waren om den vijand zo lang mogelijk tegen te houden, om onze troepen tijd te geven, om over de bruggen te trekken, moesten wij hun dadelijk het hoofd bieden, zodat wij de 27e November de hele dag tot ’s avonds 10 uur met hen een scherp vuur hebben onderhouden. Die dag zijn er met duizenden aan onze zijde door kogels getroffen, niet alleen van de strijdbare manschappen, maar ook en wel met het grootste gedeelte van die ongelukkigen, die hun corpsen hadden verlaten, geëmployeerden, marketentsters, vrouwen en kinderen, die in de colonne waren ingedrongen.”

Naar schatting 55.000 soldaten ontsnapten over de nieuw gebouwde noodbruggen ten noorden van de stad. De bruggen werden constant bestookt door de vijand en zeker 25.000 soldaten vonden de dood in het ijskoude water van de Berezina. Tot overmaat van ramp stonden er nog zo’n 10.000 soldaten aan de Russische oever te wachten toen de Franse pontonniers de bruggen in brand staken om daarmee de Russen af te schrikken. Er is lang gedacht dat vrijwel alle Nederlandse soldaten bij Berezina zijn omgekomen. Zo waren er op zaterdag 28 november 1812 nog 346 man van het 126e Regiment in staat om te vechten. Aan het einde van die 28e november waren dat er nog slechts 146. Toch blijkt uit recent onderzoek dat meer mannen dan altijd werd aangenomen krijgsgevangen werden gemaakt. Maar het lot wat hen te wachten stond is wellicht nog gruwelijker dan een relatief snelle dood op het slagveld. Zo werden de krijgsgevangen op colonne gezet, vrijwel zonder voedsel en in de ijzige Russische kou. Wie van uitputting niet meer kon volgen, werd gedood. Ook werden de krijgsgevangenen beroofd van hun kleding, terwijl ze gedwongen waren de nacht in de open lucht door te brengen. Eind november 1812 zakte de temperatuur al naar 30 graden onder nul, dus duizenden vroren dood. Als de colonne zich in de ochtend weer in beweging zette, bleven honderden stijf bevroren silhouetten achter in het landschap. Van de naar schatting 215.000 krijgsgevangenen zou slechts een fractie het overleven.

Er is helaas geen scan of kopie beschikbaar van de originele brief, alleen de tekst is bekend Jelle Djurres 1812

Zoals we konden zien schreef Jelle zijn brief op vrijdag 21 augustus 1812 vanuit Butkiškė. Daarna is nooit meer iets van hem vernomen. We weten dus niet of hij de Berezina rivier überhaupt heeft bereikt. Laat staan of hij daar is gesneuveld of gevangengenomen, of dat hij al eerder door uitputting of vijandelijk vuur is overleden. Maar ook als hij in de weken voorafgaand aan de slachting bij de Berezina is gestorven, ook dan was het een troosteloos einde. Een ooggetuige beschreef de gruwelen bij een van de talloze veldhospitalen: Zij [de doden] werden bij getallen van vijftig of zestig in groote kuilen geworpen, en met de uitgegravene aarde bedekt. Dit gebeurde echter pas als er voldoende lichamen waren. En zo zag men dus geheele stapels van lijken voor de hospitalen liggen, waaronder men ook – ijselijk schouwspel! – vele handen, voeten, armen en beenen zag, die den gekwetsen waren afgezet, en uit de vensters der hospitalen waren geworpen. Hoe Jelle ook aan zijn einde gekomen is, het was een veel te vroege en zinloze dood. We mogen er vanuit gaan dat hij in 1812 is overleden en dat betekent dat hij slechts 25 jaar oud is geworden.

Berezina 1812

Advertenties