Trijntje Jelles (1751-c.1798)

Exmorra2

Plaats In De Stamboom
Ouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

De exacte geboortedatum van Trijntje Jelles (Bruinsma) is niet bekend, maar we weten wel dat zij op zondag 5 september 1751 te Exmorra werd gedoopt. Dus kunnen we veilig aannemen dat zij in het jaar 1751 is geboren. Trijntje was het 5e kind van vader Jelle Hil(le)brands (Bruinsma) en moeder Sibrig Piters Felsen (Siebrichje Pieters Velsen) en ze groeide op met twee oudere broers: Hillebrand (1743) en Pyter (1747). Van haar broer Marten (1749) is niet bekend wanneer hij is overleden, dus het kan zijn dat ook hij deel uitmaakte van het gezin. Vader Jelle was boer en meester timmerman van beroep en toen ze negen jaar oud was (1760) verhuisde het gezin naar Kubaard.

1Trijntje

Toen Trijntje geboren werd was Nederland nog altijd actief betrokken bij de slavenhandel (pas in 1863 werd de slavernij in de Nederlandse koloniën afgeschaft). In 1789 brak er een slavenopstand uit in de Nederlandse kolonie Berbice (in het huidige Guyana). De opstand werd neergeslagen en de opstandelingen werden gestraft. Petrus Gerardus Duker, de verantwoordelijke man voor het opsporen en straffen van de opstandelingen, schreef aan zijn familie: De Executie heeft twee dagen geduurd, vrijdag en zaterdag van den 30e en 31e October. Van de 44 zijn er zes geabsolveerd geworden (=werden vrijgesproken): drie wijven zijn gezweept en aan hun meesters teruggegeven; drie anderen (namelijk een man en twee wijven) gezweept en tot levenslang aan de ketting veroordeeld; 12 Negers gehangen, en 20 geradbraakt; voorts zijn van deze 32 de koppen afgehouwen en op het galgenveld op pinnen gesteld, de rompen der geradbraakten verbrand, en die der gehangen in diepe putten gestoken, die vervolgens met ongebluste kalk gedeeltelijk zijn opgevuld geworden. Dit alles gebeurde dan misschien aan het andere eind van de wereld, maar ook in Nederland zelf was de doodstraf nog lang niet afgeschaft. Zo werd bijvoorbeeld Johannes Ledeboer in 1780 nabij Assen geradbraakt en onthoofd. Dat was een openbare executie en drommen toeschouwers verdrongen zich om de beste plaatsen te bemachtigen.

Trijntje was circa 24 jaar oud, toen ze op zondag 7 mei 1775 te Kubaard in het huwelijk trad met de 25-jarige Djurre Hendriks. Djurre was op zondag 30 november 1749 te Britswerd gedoopt en was het 9e kind (van de in totaal 12) van vader Hendrik Johannes en moeder Grietje Jans. Zijn vader was schoolmeester van beroep en in 1761 was hij met zijn vrouw van Britswerd naar Huins verhuisd. Het betekende dat ze bij de Kerkgemeente in Britswerd een verzoek tot attestatie indienden. Een kerkelijk getuigschrift zogezegd. Voor Grietje werd de attestatie inderdaad afgegeven, maar Johannes kreeg hem niet, aangezien hij zich onbetamelijk tegenover de kerkeraad had gedragen en weigerde spijt te betuigenTrijntje woonde in 1775 te Kubaard, Djurre te Lollum.

Harlingen

Trijntje en Djurre zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Hendrik, 28 juni 1776 te Tzum – 15 augustus 1777 te Tzum (1 jaar)
  2. Hendrik, 14 december 1778 te Tzum – onbekend, na augustus 1799
  3. Jelle, 3 mei 1783 te Tzum – onbekend, in ieder geval voor mei 1787
  4. Sybren, 29 maart 1785 te Tzum – 29 augustus 1855 te Wommels (70 jaar)
  5. Jelle, 16 mei 1787 te Harlingen – c.  1812 wellicht te Berezina, Rusland (25 jaar)
  6. Sybrigje, 31 december 1788 te Harlingen – 18 april 1835 te Harlingen (46 jaar)
  7. Johannes, 28 november 1791 te Harlingen – c. 1820, wellicht te Batavia, Indonesië (28 jaar)

Trijntje en Djurre woonden na hun huwelijk in Tzum, waar Djurre Meester Timmerman en Molenmaker van beroep was. In januari 1780 was hij op zoek naar 1 a 2 timmerknegten die het Timmer en Metzelen geheel of ten deele verstaan. Deze mannen waren vooral nodig, zo schreef hij in zijn advertentie, voor het molenmaken. In juni 1785 bood hij zijn welbeklante Winkel, met de woninge, te Tzum te huur aan, omdat hij met de woon na Harlingen verhuist.

15 juni 1785

Zoals eerder beschreven had Djurre’s vader zich onbetamelijk tegenover de kerkeraad gedragen. Misschien was het een familietrekje, want ook Djurre liet zich in januari 1797 van een andere kant zien. Zoals we we hieronder kunnen lezen was hij in 1796 een van de leden van het Gerecht (der Gemeente) en was hij aangesloten bij de Schutters Sociëteit (met als lijfspreuk: tot spijt van ’t snood geweld). We lezen dat hij, samen met vier anderen, de sociëteit verliet zonder acht te slaan op de geldende regels met betrekking tot uittredende leden. De Sociëteit was ontstemd en ging zelfs zover de andere genootschappen te waarschuwen deze vijf mannen niet als leden te erkennen, daar zy hunne kaartjes onder zich hebben behouden. 

24-1-1797

Toch, Harlingen was een enorme stap voorwaarts voor Trijntje en haar gezin. In 1796 was Djurre dus beëdigd als lid van het Gerecht der Gemeente Harlingen. Een functie die hij ook in 1797 zou bekleden. Zo was hij het bijvoorbeeld die in juni 1796 de joodse koopman Abraham Jacobs het burgerrecht verleende en hem de eed aflegde. In 1798 trad hij zelfs toe tot de Raad der Gemeente Harlingen. In de notulen van dinsdag 10 april 1798 lezen we: eindelijk wierde door den welgemelden Commissaris door afleezinge en affixie eener bekendmaking aan de Burgeren en Ingezetenen deezer plaats kennisse gegeven, dat voorzeide Burgers Paulus de Boer, Lambt. Albada, Marten Bos, Paulus Wellinga, Djurre Hendriks, Pieter Coulbout, en Gerbrandus Pettinga, door hem tot Raaden der Gemeente van deeze Stad waaren aangesteld.

Djurre was inmiddels koopman van beroep en was daarnaast actief bezig voor de gemeente. Zo werd hem bijvoorbeeld in januari 1798 gevraagd de klacht van eene Commissie uit Brandmeesters te onderzoeken en een voorstel in te dienen bij de Raad der Gemeente. Er was namelijk kort daarvoor brand uitgebroken in de herberg Roma, waarbij duidelijk werd dat door manquement, de Brandmeesteren en Trompethouders niet naar behooren waaren gewekt, als mede dat de klok van de Groote kerk niet waare geklipt (=als de klepel slechts tegen 1 van de wanden slaat). Aan Djurre de taak zich over deze kwestie te buigen. De leden van de Raad waren ieder afzonderlijk verantwoordelijk voor een bepaalde wijk en daarnaast voor een aantal zaken die niet wijk-gebonden waren. Zo was Djurre mede verantwoordelijk voor:

  • het zuidwestelijk deel van de stad Harlingen
  • zaken aangaande de Zeewerken
  • zaken aangaande de Stadslantaarns
  • zaken aangaande het gilde van Kleermakers
  • zaken aangaande het gilde van Schoenmakers
  • zaken aangaande het gilde van Scheepstimmerlieden

In mei 1798 stelde het stadsbestuur van Harlingen een Commissie van Binnenlandsche Correspondentie samen. Praesident van deze Commissie was Djurre Hendriks. Diezelfde maand richtten de voogden van het Stads-Weeshuis te Harlingen zich tot de Raad met de vraag of zij bepaalde inkomsten, bijvoorbeeld na de verkoop van boelgoed, mogten genieten. Onder andere Djurre werd gevraagd hier advijs over uit te brengen. Tien dagen later lag het advies op tafel en liet de Raad der Gemeente noteren daar op een later tijdstip over  te zullen vergaderen. Djurre zou de uitkomst van deze vergadering niet meer meemaken, want hij overleed op 48-jarige leeftijd, op vrijdag 20 juli 1798 te Harlingen. De vraag van de voogden van het Weeshuis was de laatste die hij zou behandelen. Hij heeft nooit kunnen vermoeden dat drie van zijn kinderen precies drie jaar later in datzelfde Weeshuis zouden worden opgenomen.

overlijden Djurre

Het gezin woonde in die tijd in een nieuw gebouwde woning (met houtschuur) aan de zuidzijde van de zuiderhaven te Harlingen, niet ver van het Stads-Weeshuis (in de Weeshuisstraat). Alle status en welvaart verdween met het overlijden van Djurre, want een financieel vangnet voor weduwen was er niet. We mogen er vanuit gaan dat Djurre iets aan geld heeft nagelaten, maar het zal nooit voldoende zijn geweest de zorgen op langere termijn weg te nemen. Trijntje was immers nog maar achter in de veertig en haar jongste kind was 6 jaar oud. In de Raad der Gemeente ging het leven ondertussen gewoon door. Op maandag 23 juli 1798 werd droogjes genoteerd dat door her overlijden van den Burger Djurre Hendriks, zijn verantwoordelijkheden werden overgedragen aan de heren Pettinga en Coulhout.

Op 24 oktober 1798 werd het huis van Trijntje te koop aangeboden en zoals we in de advertentie kunnen lezen was er op dat moment al een bod uitgebracht van 643 Goud Guldens (een goud-gulden was 20 stuivers waard).

24-10-1798

En dan ineens, op 20 november 1798, verscheen de volgende advertentie in de krant: Een ieder die iets te Preatendeeren heeft van, of Schuldig is, aan den geëbandonneerden Boedel van de Wed. Djurre Hendriks te Harlingen, gelieve daar aangave of betaalinge te doen voor den 15 December 1798, aan den Coopman Roelof Meintz aldaar, als geautoriseerde Curator voorfz Boedel. In de advertentie werd gesproken over de weduwe Djurre Hendriks, en niet over wijlen de weduwe Djurre Hendriks. Maar het feit dat er een curator werd aangesteld, doet sterk vermoeden dat Trijntje tussen 24 oktober en 20 november 1798 is overleden. Dus iets meer dan drie maanden na het overlijden van haar man. Ondanks vele pogingen, is de exacte overlijdensdatum nog niet gevonden. Mocht zij inderdaad in het jaar 1798 zijn overleden, dan werd Trijntje Jelles (Bruinsma) dus circa 47 jaar oud.

28-11-1798

Advertenties