Jacob Hendriks (1887-1972)

Moynaq

Plaats In De Stamboom
Ouders: Hendrik Jacobs van der Sloot (1858-1935) & Aaltje Pieters Bruinsma (1851-1931)
Grootouders: Pieter Jans Bruinsma (1823-1901) & Lieuwkje Riemers Hibma (1828-1904)
Overgrootouders: Jan Pyters Bruinsma (1791-1875) & Geertje Jans Boersma (1795-1832)
Betovergrootouders: Pyter Jelles Bruinsma (1747-1812) & Geertie Jans (1768-1846)
Oudouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

Jacob Hendriks van der Sloot werd op donderdag 3 maart 1887, ‘des namiddags ten elf ure’ te Harlingen geboren. Hij was het zesde kind van vader Hendrik Jacobs van der Sloot en moeder Aaltje Pieters Bruinsma. Jacob’s zuster Hendrikje was 7 jaar oud geworden (ze overleed in 1884), zijn broertje Jacob slechts 2 maanden en een tweede broertje – ook een Jacob – was na 7 maanden overleden. In 1884 kwam er vervolgens een levenloos meisje ter wereld. In 1885 werd er een tweede Hendrikje geboren en zij was anderhalf jaar oud toen Jacob geboren werd. Van de vijf broertjes en zusjes was dus alleen Hendrikje nog in leven. In 1891 werd zijn zusje Lieuwkje nog geboren. De aangifte van Jacob’s geboorte werd niet door zijn vader gedaan, maar door de 33-jarige arts Jan Frederik Selhorst. In de akte werd genoteerd dat de vader van het nieuwgeboren kind ‘thans afwezig’ was. Hendrik was namelijk in 1887 (dus vlak voor de geboorte van Jacob) ‘conducteur der brievenmalen’ worden. Met andere woorden: hoofd van de brievensorteerders op de trein.

Pas in 1901 werd de leerplichtwet van kracht. Het betekende dat kinderen van 6 tot 12 verplicht onderwijs moesten volgen. Jacob was in 1901 al 13 jaar oud, dus als hij naar school is gegaan, dan gebeurde dat omdat zijn ouders het wilden, niet omdat het verplicht was. Jacob zat in ieder geval in september 1902 op de School voor Wis- en Zeevaartkunde te Harlingen (opgericht in 1818 door de Harlingse afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen). Hij begon er op 15-jarige leeftijd als scheepsjongen. Tussen maart 1903 en april 1904 was hij lichtmatroos op de driemastschoener Laura, waar de 65-jarige Sietze Postma uit Harlingen de kapitein was. In 1904 moest kapitein Postma zich verantwoorden voor de Raad van Tucht wegens dronkenschap aan boord van het schip. Tijdens een van de reizen was het schip in een levensgevaarlijke situatie terecht gekomen. Een getuige verklaarde dat de kapitein ‘stond te waggelen op zijn benen en wartaal’ uitsloeg. De 16-jarige scheepsjongen Sjoert Sinnema verklaarde: ‘Als de kapitein niet dronken was, vloekte of raasde hij niet en sloeg evenmin.’ Voordat de Raad van Tucht tot een oordeel kon komen, overleed kapitein Postma. Onder deze man leerde Jacob dus de kneepjes van het vak. En meer dan dat. Maar daarover later meer. Toen Jacob in 1906 dan ook gekeurd werd bij de Nationale Militie, gaf hij zeeman als beroep op.

SS Oceanocean

In 1911 was Jacob 2e-stuurman op het ‘Nederlandsche tankstoomschip Ocean,’ eigendom van de American Petroleum Company. De Ocean was in 1888 gebouwd, dus het schip was een jaartje jonger dan Jacob. Kapitein Bangert (geen beste naam voor een gezagvoerder) had de leiding over de 30-koppige bemanning. Op zaterdag 13 augustus 1910 voer het schip om half drie in de middag de haven van Antwerpen uit, op weg naar Batoem (Rusland) om petroleum te halen. Op zondag 14 augustus was het afwisselend helder en mistig weer. Regelmatig klonk het geluid van een stoomfluit (mist-signaal) uit de nevel, ten teken dat er een schip in de buurt van de Ocean voer. Soms werd op halve kracht verder gevaren, dan weer werden de machines stilgelegd. De situatie werd verraderlijk. Om 10 over 4 in de middag klonk er een ‘lange stoomfluit’ en doemde het Noorse stoomschip Hörda uit de nevel op, recht op de Ocean af. Beide schepen zetten hun machines op volle kracht achteruit, maar het mocht niet baten: om 9 minuten over half 4 botsten ze op elkaar. De schepen kwam onmiddellijk vrij van elkaar. Hoewel de stoot hevig was geweest, bleek er geen onmiddellijk gevaar voor zinken; alleen de voorpiek lekte.’ Tijdens het onderzoek van Den Raad voor de Scheepvaart verweten de beide kapiteins elkaar ‘te veel vaart te hebben gelopen.’ De Raad kwam met een salomonsoordeel en weet de aanvaring aan de mist.

huwelijk-1

Jacob was 27 jaar oud en opgeklommen tot ‘eerste stuurman ter koopvaardij’ toen hij op zaterdag 17 oktober 1914 te Harlingen in het huwelijk trad met de 24-jarige Froukje Wijbes van der Zeep. Froukje was op donderdag 24 juli 1890, ‘des voormiddags ten zes ure in Wijk C’ te Harlingen geboren. Ze was het 6e kind van vader Wijbe Leenderts van der Zeep en moeder Froukje Gerbens Bosma. Vader van der Zeep was steenhouwer van beroep en had een goedlopende zaak onder de naam Fa. W. van der Zeep & Zn in de Fabrieksstraat 2-4 te Harlingen. Ze maakten er onder andere ‘grafmonumenten, grafkelders en bouwwerken in natuursteen.’ Hieronder de handtekeningen van de jonggehuwden en hun ouders. Aan de handtekening van Froukje’s moeder is heel duidelijk te zien hoeveel moeite het kostte om de vijf letters van haar achternaam te schrijven. Als getuigen traden op:

  • Frans Jurgen Swart, 33 jaar, ambtenaar ter Secretarie, woonachtig te Franeker
  • Jacob Noordbeek, 35 jaar, gemeentebode, woonachtig te Harlingen

handtekeningenzeep-zn

Jacob en Froukje zouden samen één kindje krijgen:

  1. Alice, 26 juni 1919 te Haarlem – 1 november 2000 te Heelsum (81 jaar)

In de nacht van donderdag 20 op vrijdag 21 augustus 1914 (dus 2 maanden na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog) liep het Nederlandse vrachtschip Alice H in de Oostzee op een mijn. Het voorschip werd uit elkaar geslagen, maar het schip zonk niet. Vijfentwintig minuten later liep het schip op een tweede mijn en begon ‘met den kop naar boven’ te zinken. Tien mensen kwamen om het leven, waaronder hofmeester Jacob van der Sloot. Hoe de beide mannen precies met elkaar verweven zijn in de stamboom, is nog niet duidelijk. Maar het lijdt geen twijfel dat ze familie van elkaar waren, want de naam Alice komt niet eerder voor bij de familie van der Sloot, en ook niet bij de familie van der Zeep. En toeval bestaat niet.

Na hun huwelijk verhuisden Jacob en Froukje naar Haarlem. Dit zal uiteraard te maken hebben gehad met Jacob’s baan bij de koopvaardij. Ergens tussen 1911 en 1916 was hij 2e- en later 1e officier op de SS Beekbergen. Deze data zijn exact, want in maart 1911 werd dit schip omgedoopt tot Beekbergen (daarvoor heette het de Langdale). Het was maar van korte duur, want in 1916 kreeg het andermaal een nieuwe naam: de Gaasterland. Later zullen we zien hoe belangrijk deze korte periode voor Jacob is geweest.

In 1920 was Jacob 33 jaar oud en bevorderd tot kapitein van het 24-man tellende stoomschip Oude Maas. In november 1920 voer hij de haven van Zaandam uit, voor een reis die ruim tien maanden zou duren. Zo deed zijn schip onder andere de volgende havens aan: Boston (USA), New York (USA), Havanna (Cuba), Port Arthur (USA), Santiago (Chili), Cartagena (Colombia) en Manzanillo (Mexico). De reis was niet geheel vlekkeloos verlopen, want in november 1920 moest het schip de haven van Fayal (Azoren) aandoen ‘met gebroken stoom-stuurgerei en schade aan den roerkop.’ Op zaterdag 21 mei had de Oude Maas een lading suiker ingeladen en vertrok zij uit Vita, aan de oostkust van Cuba, en zette koers naar de Cubaanse havenstad Sagua la Grande. Om half acht in de avond was het schip op zee en Jacob ‘gaf den eerste- en den tweede-stuurman verlof naar kooi te gaan.’ Zelf bleef hij op de brug en hield de wacht, samen met de roerganger. Het was een pikdonkere, maar heldere avond. Om kwart voor tien die avond kwam de tweede-stuurman op de brug en nam de wacht over. Jacob bleef echter op de brug. Al snel zag de tweede-stuurman een flauwe lichtschijn aan bakboord. Dit betekende dat ze dicht (te dicht) bij de kust waren, maar Jacob ontkende dit. ‘Op eens werd aan bakboord en recht vooruit de kust en de branding gezien; wel werd onmiddellijk hard stuurboord roer gegeven en volle kracht achteruit, maar dit nam niet weg dat het schip strandde.’ Het schip zonk niet, maar was wel beschadigd. Op de terugreis deed het schip onder andere Glasgow (Schotland) en Swansea (Wales) aan. De Raad van Scheepvaart oordeelde eind 1921 ‘dat de oorzaak van het ongeval is gelegen in de zorgeloze navigatie door den kapitein.’ Want uit het onderzoek was gebleken dat Jacob het standaardkompas niet met het stuurkompas had vergeleken, waardoor het schip uit koers raakte. Daarnaast had hij verzuimd een uitkijkpost aan te wijzen. ‘Ter zake van bovengenoemde nalatigheid straft de Raad Jacob van der Sloot, geboren 3 maart 1887 te Harlingen, wonende te Haarlem, met een berisping.’

SS Oude Maasoude-maas

Maar dat was nog niet het einde van het verhaal. Direct na het vonnis kwamen er berichten naar buiten dat Jacob ‘meermalen gebruik maakte van sterken drank. Hij was dan suf en als hij aan land ging liep hij niet langs de plank, maar liet zich langs de palen glijden.’ De bemanningsleden hadden vaak tegen elkaar gezegd ‘dat het een wonder zou zijn, als er niet eens iets gebeurde met het schip, met een dronken kapitein.’ De heer Junius, bestuurder van de “Centralen Bond van Transportarbeiders”, noemde de Raad van Scheepvaart ‘een aanfluiting’ en ‘een stel oude pruikebollen die maar alles voor zoete koek opeten.’ Jacob vond hij een man die ‘druk bezig is zijn leven te verwoesten.’ 

De Raad kon er niet omheen, en in maart 1922 werd er een onderzoek naar Jacob ingesteld. Bemanningslid Jan Vermast bevestigde dat Jacob regelmatig sterke drank gebuikte, ‘hetgeen te merken was aan zijn spraak en aan zijn lust om altijd tegen te spreken. [.] Dat de kapitein in Cuba mandenflesschen kocht met alcoholhoudende dranken (rum); dat de kapitein op zee veel in de kaartenkamer was en daar zijn roes uitsliep’ en dat hij dan vaak niet wakker te krijgen was. Toen het schip in augustus 1921 bij Cuba strandde was Jacob nuchter geweest, maar de dag erna was hij dronken. Tweede stuurman Jan Pieter Nieman bevestigde dit verhaal (net als drie andere bemanningsleden) en voegde eraan toe dat ze in de haven van Cartagena bijna een klein schoenertje overvaren hadden, maar dat ‘de kapitein echter niets deed en suffig stond te kijken.’ De tweede stuurman had eigenhandig ingegrepen, waardoor een ongeluk kon worden voorkomen. De Raad van Scheepvaart concludeerde op woensdag 15 maart 1922: ‘Dronkenschap tijdens de vaart kan in een kapitein, aan wien de levens der opvarenden en schip en lading zijn toevertrouwd, niet genoeg worden afgekeurd. De Raad straft den kapitein Jacob van der Sloot, geboren 3 maart 1887 te Harlingen, wonende te Haarlem, dan ook met de hoogste disciplinaire straf en ontneemt hem de bevoegdheid voor den tijd van twee jaar als schipper.” 

Het moet een enorme klap voor Jacob zijn geweest. Niet alleen was hij voor twee jaar geschorst, ook had hij zijn kansen op een mooie carrière bij de koopvaardij zo goed als zeker vergooid. Maar het zou nog erger worden, want het huwelijk tussen Jacob en Froukje liep op zijn einde. In juni 1922 startte Froukje een procedure tot echtscheiding omdat Jacob ‘vleeschelyke gemeenschap heeft gehad met eene andere vrouw.’ Op dinsdag 15 augustus 1922 kwam de zaak in Haarlem voor de rechter. Froukje verbleef op dat moment bij familie in Harlingen, terwijl Jacob was opgenomen in het ‘Gesticht Sint Johannes de Deo’ te Haarlem. Froukje was bij de zitting aanwezig, maar Jacob niet (tot ongenoegen van de rechter). Wel schreef hij een brief waarin hij meldde ‘te willen berusten’ in de echtscheiding. Merkwaardig genoeg omschreef hij zichzelf in deze brief als “Jacob van der Sloot, scheepsgezagvoerder.” Terwijl hij zes maanden daarvoor voor twee jaar geschorst was. In amper een half jaar tijd was hij dus zijn baan, zijn vrouw en zijn dochter kwijt.

Zoals gezegd had Jacob rond 1915 als officier gediend op het stoomschip Beekbergen. In augustus 1922 liet hij Haarlem achter zich en vestigde zich uitgerekend in het dorp Beekbergen (Gemeente Apeldoorn). Wat de achterliggende gedachte was om zich juist in dat dorp te vestigen, zullen we wellicht nooit weten. Hij woonde er korte tijd op de Rietveldweg 13, waar hij het huis deelde met elf personen. Elektricien Jan Kromwijk woonde er bijvoorbeeld, net als opzichter Willem Adriaan van Kempen en de dameskleermaker Willem van der Horst.

2e-huwelijk

Hij was 37 jaar oud en timmerman(!) van beroep, toen hij op woensdag 23 april 1924 in het huwelijk trad met de 40-jarige Cornelia Dirks Reijnders. Cornelia was op zondag 11 november 1883 te ‘s-Gravenhage geboren en was een dochter van Dirk Johannes Jacobus Reijnders en Johanna Frederika Lens. Cornelia woonde in 1917 samen met haar moeder op de Valkenboschlaan 128 te ‘s-Gravenhage. In februari 1922 verhuisden ze naar de Dorpstraat 60 te Beekbergen. Hun dienstbode Anna Francina Beun verhuisde met hen mee. Anna was al sinds 1917 bij Cornelia’s moeder in dienst, maar zou een paar maanden later alsnog naar Leusden vertrekken. Hieronder de handtekeningen van Jacob, Cornelia en Jan’s vader. Timmerman Jan Mooij was een van de getuigen en Jacob was waarschijnlijk bij hem in dienst. De getuigen:

  • Hendrik Huis, 50 jaar, gemeentebode, woonachtig te Apeldoorn
  • Jan Bos, 52 jaar, gemeentebode, woonachtig te Apeldoorn
  • Hendrik van der Sloot, 66 jaar, zonder beroep, woonachtig te Harlingen, vader van comparant
  • Jan Mooij, 40 jaar, timmerman, woonachtig te Apeldoorn

tweede-huwelijk

Jacob trok in bij Cornelia en haar moeder op de Dorpstraat, waar Cornelia’s zuster Anna inmiddels ook was ingetrokken. Anna was bloemiste van beroep en had zich in 1912 al te Beekbergen gevestigd. De keuze voor Beekbergen was voor Cornelia en haar moeder dus begrijpelijk. In mei 1924 begon Jacob een boekhandel onder de naam J. van der Sloot – “Het Heethuis” (vernoemd naar de grote villa met dezelfde naam in Dorpstraat). In februari 1926 echter liet hij de naam veranderen in J. van der Sloot – Algemene Boekhandel “Het Heethuis”. Daarnaast nam hij in oktober 1929 de ‘brandstoffenzaak’ van de heer G. Jansen van Doorn over (ook in de Dorpstraat). Boekhandelaar annex brandstofhandelaar dus. In 1932 werd ‘de afwatering Dorpstraat ter hoogte van den Boekhandel v.d. Sloot’ onder handen genomen: ‘Moest men vroeger met een stevige regenbui ter plaatse “tot de enkels toe in het water baden”, nu is dit geheel van de baan.’

In de loop der jaren zouden er heel wat kostgangers voorbij komen op de Dorpstraat 60. De Rotterdamse Maria Bliek bijvoorbeeld, die in juli 1924 een kamer bij Jacob en Cornelia huurde, of de Amsterdamse onderwijzeres Nicolina Cornelia Otgaar, die in oktober 1928 bij hen ging wonen. Landbouwingenieur Victor Tchennoff kwam in juli 1931. Hij was geboren in Koersk, Rusland en zou een half jaar later alweer vertrekken naar Indië. In de Dorpstraat zelf zat onder andere de bakkerszaak van bakker Wrede, de melkzaak van Jan de Groot en de kruidenierszaak van zijn broer Marinus. Tandarts Huisman kwam er later bij, net als de garage van Konink. In de jaren dertig waren er 8 bakkers, 8 fietsenmakers, 4 smeden, 2 kleermakers en een groot aantal kruideniers in het dorp Beekbergen.
Maar die eerste jaren in Beekbergen waren ook een periode van verdriet en afscheid. Cornelia’s moeder overleed in januari 1927, Jacob’s moeder in januari 1931 en zijn vader in maart 1935.

mei-1924

Wie wilde reageren op een advertentie in de krant, deed dat per brief en per adres, onder vermelding van de advertentiecode. Degene die de advertentie had geplaatst, kon de reacties vervolgens afhalen op het adres zoals dat in de advertentie was vermeld. Jacob’s boekhandel was zo’n afhaaladres. Zo kon men in juni 1924 reageren op een ‘net huisje met grooten tuin op de Veluwe’ (brieven onder letter A, Boekhandel van der Sloot). Een ‘bekwaam chauffeur, bekend met rijwielreparatie en verdere voorkomende werkzaamheden’ bood zich in 1931 aan (reacties onder letter K) en in 1936 was een ‘nette weduwe, uit middenstand’ op zoek naar ‘dito heer om huwelijk aan gaan’ onder code 3517. In 1937 zocht iemand ‘een zaak waarin bestaan: sigaren, luxe artikelen of iets dergelijks’ (code 8978). Soms gebruikte men afkortingen, zoals in onderstaande advertentie uit 1944, waarin een ‘bejaarde heer, in bezit van eigen bed’, op zoek was naar een kamer:

advertentie

Beekbergen Vooruit was de dorps- annex belangenvereniging van Beekbergen. In november 1932 fuseerden zij met V.V.V. Beekbergen en gingen verder onder de naam V.V.V. Beekbergen Vooruit. Begin jaren dertig werd Jacob lid. De vereniging, met Jacob voorop, lag regelmatig in de clinch met de gemeente Apeldoorn. De gemeente had grootse plannen voor de toekomst en zette haar geld op welgestelde toeristen. Werd er in 1933 nog voor 200.000 gulden in Beekbergen verbouwd, in 1935 was dat gedaald naar 135.000 gulden. Dit was niet te wijten aan de crisis van de jaren dertig, maar aan het feit dat er een bouwverbod gold zolang de gemeente Apeldoorn achter de tekentafel bouwde aan de toekomst. Dit had uiteraard enorme consequenties voor mensen die in de bouw werkzaam waren. Velen werden dan ook werkloos. Toen de plannen van de gemeente dan eindelijk openbaar werden, bleek dat ook Beekbergen een metamorfose moest ondergaan: een aantal huizen moest worden afgebroken, de overgebleven huizen moesten een punt-dak op hun huis laten plaatsen en straten moesten worden verbreed.
Jacob schreef: ‘Wie dit alles heeft uitgebroed, staat zeker buiten het werkelijke leven.’ En een paar dagen later: ‘Bij oppervlakkige beschouwing schijnt men van den Loenenschen weg een soort trekharmonika te willen maken.’ De nieuwe huizen die de gemeente voor ogen had waren fors in prijs en zeker niet – aldus Jacob – voor ‘de kleine man met z’n confectiepakje an.’ En na het opsommen van alle plannen verzuchtte hij half december 1936: ‘Wie kan dat betalen, zoete lieve Gerritje?’ Hij was niet in Beekbergen geboren en was er niet opgegroeid, maar daarover schreef hij: ‘Dat ik voor Beekbergen op kom zult U mij moeilijk kwalijk kunnen nemen, ik houd van dit dorp.’
Ook tijdens de ledenvergaderingen, roerde hij zich: ‘De heer J. v.d. Sloot had een geheel verlanglijstje samengesteld,’ noteerde de Nieuwe Apeldoornsche Courant droogjes in februari 1934.

1948

En zijn vrouw Cornelia? Over haar weten we vrijwel niets. Ze was geen lid van de zangvereniging Hosanna, noch van Sursum Corda, en ook niet van zangvereniging Toonkunst. Ook was ze geen lid van de Mandolineclub Beekbergen. Jacob daarentegen zat in 1934 in de reclame-commissie van muziekvereniging Prinses Juliana. En ondertussen bleef hij volop actief in de V.V.V. Beekbergen Vooruit. In 1935 was hij lid van de kascommissie, in 1938 werd hij gekozen tot bestuurslid en in 1949 werd hij herkozen. Tussen alle bedrijven door stelde hij zich in 1939 kandidaat bij de Gemeenteraadsverkiezingen. Hij stond op de 6e plaats van de partij van Onafhankelijken:

gemeente-1939

Jacob was 58 jaar oud toen de Duitse bezetting begon. Dat betekende dat hij te oud was om in de Duitse oorlogsindustrie te moeten werken. Zijn boekhandel bleef dan ook gewoon in bedrijf, en toen in 1944 de film Nelly in Beekbergen werd vertoond, kon men kaartjes (prijs: 30 cent) kopen bij boekhandel J. van der Sloot. Een paar huizen verderop, op de Dorpstraat 70, woonde schoenmaker Blom. Vader en zoon Blom zaten in het verzet en begin 1942 werden ze verraden, opgepakt en wekenlang op brute wijze verhoord. Beide mannen zouden de oorlog niet overleven.
Op last van de Duitse bezetter werden de 95.000 inwoners van Arnhem eind september 1944 hun stad uit gejaagd. Wat volgde was de grootste exodus in de Nederlandse geschiedenis. Tienduizenden oude mannen, vrouwen en kinderen trokken noord- en westwaarts. Velen te voet, anderen op karren of bakfietsen. De tocht was slopend en zeker niet zonder gevaren: ‘Grote bombardementen, hals over kop schuilen, plat op de vloer dekking zoeken, alles trilt en dreunt oorverdovend. We komen er allemaal levend van af. Met bepakte fietsen gaan we verder weg. Een lange tocht. Overal mensen met bagage. Soms moeten we snel gaan liggen als er uit jankende vliegtuigen geschoten wordt.’ Een deel van deze ontredderde groep vluchtingen trok door Beekbergen en Apeldoorn, waar op alle mogelijke manieren onderdak geregeld moest worden. Mensen werden ondergebracht in scholen, schuren, op zolders en in kelders en soms zelfs in een kippenhok. Ook Jacob en zijn vrouw zullen die diepe ellende van heel dichtbij hebben gezien. In 1946 maakte Jacob deel uit van het comité Monument voor de Gevallenen.

Op maandag 28 januari 1952 overleed Froukje – Jacob’s eerste vrouw – te ‘s-Gravenhage. Ze bleef tot juni 1940 op de Noorderhaven 11 te Harlingen wonen, daarna verhuisde ze naar de Anton de Haenstraat 78 te ‘s-Gravenhage. Volgens haar persoonskaart is zij enige tijd pensionhoudster geweest, maar het is niet duidelijk waar dat precies is geweest en voor hoelang. Froukje Wijbes van der Zeep werd 61 jaar oud en werd op vrijdag 1 februari te Midlum (Friesland) begraven.
Het jaar 1956 was net begonnen. De jaren van schaarste en wederopbouw waren voorbij. Nederland was klaar voor de toekomst. Maar Jacob’s vrouw Cornelia was ernstig ziek en zij overleed ‘na een geduldig gedragen lijden’ op woensdag 4 januari 1956. Ze werd in alle stilte begraven in Beekbergen en bijgezet in het graf van haar moeder. Cornelia Dirks Reijnders op 72-jarige leeftijd.

cornelia

Jacob bleef nog een jaartje in zijn geliefde Beekbergen wonen, maar in mei 1957 verhuisde hij naar de Griftstraat 19 te Apeldoorn. Hij was inmiddels 70 jaar oud, maar nog altijd stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken. In de jaren zestig stuurde hij verschillende brieven naar de Telegraaf, en zijn naam duikt dan ook met regelmaat op in die krant. Zijn epistels waren kort en bondig geworden, of het moet zijn dat de redacteuren zijn teksten reduceerden tot hapklare brokken van ongenoegen:

zestiger

Zaterdag 21 januari 1972 was een koele, stormachtig dag met windstoten tot 107 kilometer per uur. Die avond trad Wim Sonneveld op in de schouwburg van Apeldoorn. De zaal zat stampvol, maar vlak voor aanvang kwam de mededeling dat Sonneveld hoge koorts had. De voorstellingen voor zaterdag, zondag en maandag te Apeldoorn werden geannuleerd. Ergens verderop in Apeldoorn overleed Jacob Hendriks van der Sloot die zaterdag op 85-jarige leeftijd. Hij werd begraven te Beekbergen en bijgezet in het graf van zijn vrouw en schoonmoeder. Wie vandaag langs het graf loopt en de inscriptie leest, is vast in de veronderstelling dat hier een man begraven ligt die het grootste deel van zijn leven op zee heeft doorgebracht. Want er staat: J. van der Sloot – Gezagvoerder ter Koopvaardij – 1e en 2e officier S.S. Beekbergen. Alles bij elkaar had hij echter slechts een paar jaar (tussen 1911 en 1916) op de Beekbergen gevaren. En als gezagvoerder werd hij voor twee jaar geschorst (wellicht dat daarom de naam van de Oude Maas niet op de grafsteen staat). Na zijn schorsing zou hij nooit meer een voet aan boord van een schip zetten. Zijn zeebenen waren dus vijftig, zestig jaar oud. Toch wilde hij herinnerd worden als een man die ooit de eindeloze oceanen had bevaren.

“My soul is full of longing
for the secret of the sea,
and the heart of the great
ocean sends a thrilling pulse
through me”

graf-jacob