Wijger Jelles (1926-1985)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Jelle Doedes Bruinsma (1895-1981) & Jantje Hendriks Bron (1898-1998)
Grootouders: Doede Jelles Bruinsma (1872-1954) & Jeltje Wiegers Vellinga (1871-1937)
Overgrootouders: Jelle Doedes Bruinsma (1828-1875) & Aafke Wytzes Wiersma (1842-1926)
Betovergrootouders: Doede Pieters Bruinsma (1797-1843) & Antje Jelles Hieminga (1801-1883)
Oudouders: Pyter Jelles Bruinsma (1747-1812) & Geertie Jans (1768-1846)
Oudgrootouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

Wijger Jelles Bruinsma werd op woensdag 22 september 1925, des voormiddags ten vijf ure, in deze gemeente op Hocquart nummer 25 te Franeker geboren. Hij was het derde kind, de derde zoon ook, van de 30-jarige Jelle Doedes Bruinsma en de Jantje Hendriks Bron. Moeder Jantje was net twee weken voor de bevalling 27 jaar oud geworden. Vader Jelle deed aangifte van geboorte en had Rense Brijker (33) en Teije van der Veen (31) als getuigen meegenomen. Wijger was de jongste zoon in het kleine gezin van drie kinderen. Doede (1919) en Hendrik (1921) waren hem al voorgegaan.

Hij hield van voetballen en als jongen speelde hij dan ook bij voetbalclub Freno in Franeker. Zijn verhalen over Abe Lenstra, die hij vaak had zien spelen, waren legendarisch. Hij beschreef dan het kolkende stadion en hoe Abe met speels gemak alle elf spelers omspeelde en scoorde. Het hoogtepunt was uiteraard het verhaal over Heerenveen – Ajax (1950), toen Ajax met 1-5 in de rust voorstond, maar waar – vooral dankzij Abe – Heerenveen uiteindelijk met 6-5 won. Wijger was erbij en zelfs 25 jaar na dato barstte hij bijna uit zijn voegen van trots. Vreemd, dat een man die zo van voetballen hield en er zo gepassioneerd over kon vertellen, slechts één keer naar een voetbalwedstrijd van zijn zoons zou gaan. Ver voor het eindsignaal was hij ineens verdwenen en alweer op weg naar huis. Zijn zoons waren nu eenmaal geen Abe.

Hij was een begenadigd schaatser en in de Elfstedentocht jaren (1940, 1941, 1942, 1947, 1954 en 1956) schaatste hij met zijn vrienden voor de vermoeide schaatsers uit op weg naar naar Dokkum. Ze hielden de mannen dan uit de wind, en schaatsten vervolgens weer terug naar Franeker om de volgende achterblijver een eindje op weg te brengen. Toen hij later verkering kreeg met Maartje, schaatsten ze samen met de stok (schoonrijden). Maartje vertelde dan hoe veilig ze zich voelde met hem op het ijs. Op het bevroren water stond hij dus zijn mannetje, maar in het water was een heel ander verhaal. Hij was doodsbang voor water, want als jongen was hij bijna een keer verdronken. Zijn vriend Jurrie redde zijn leven.

Staand vlnr: Hendrik, moeder Jantje, Doede. Op de driewieler: Wijger

Hij was 13 jaar oud toen de Duitsers op vrijdag 10 mei 1940 ons land binnen vielen. Op een kille zondag, de 12e mei 1940, was Franeker ineens vol met Duitse soldaten, militair materieel en een indrukwekkende hoeveelheid paarden. In het begin waren er zo’n 1000 militairen in de stad, en afgezet tegen een bevolking van ruim 8000 was dat enorm veel. Eén op de acht was dus een Duitse soldaat. Daarnaast was Franeker een NSB bolwerk, met ruim 350 geregistreerde NSB-ers. De eerste jaren van de bezetting verliepen relatief rustig. De soldaten gingen naar de Korenbeurs en Amicitia, de PC ging gewoon door en ook werden er twee Elfstedentochten gereden. Maar gaandeweg begon de situatie te verslechteren. Er was schaarste en de Duitsers joegen fanatiek op jonge mannen die in de Duitse fabrieken te werk gesteld moesten worden. Wijger had inmiddels die geschikte leeftijd bereikt en samen met zijn broers dook hij onder bij een boer ergens in het Friese land. Niet op de boerderij zelf, maar in een hut onder de grond. Op een nacht heerste er grote paniek in de schuilplaats, want de jongens konden duidelijk horen hoe de Duitsers het veld afzochten. Had de boer – onder dwang – hun schuilplaats moeten prijsgeven? Soms leken de geluiden dichterbij te komen, dan leken de geluiden weer te verdwijnen. Uren zaten ze in spanning, vrezend dat ze elk moment gevonden konden worden. Pas de volgende ochtend werd duidelijk wie de geluiden hadden veroorzaakt en wie de jongens de stuipen op het lijf hadden gejaagd: grazende koeien.

In datzelfde jaar 1940 ging hij werken. De schooltijd was voorbij, er moest verdiend worden. Schepen lossen op de Zuiderkade, waarbij hij als jonge jongen de loodzware zakken uit het ruim moest halen. Geen wonder dat hij op latere leeftijd last van slijtage had. Hij zou vele jaren als los werkman werkzaam zijn. Dat betekende dat hij dan weer hier, dan weer daar werkte. Vaak afhankelijk van het seizoen: in de zomer bij de boer, in de winter ergens anders. Hij leerde Maartje kennen door zijn vriendschap met haar broer Jan. Later werd wel gefluisterd dat hij eerst een oogje had op Antje (Anneke), de zuster van Maartje. Toch, hij trouwde op zaterdag 10 april 1948 met Maartje (Sikkes) Dijkstra. Hij was toen 21 jaar oud en uiteraard los werkman van beroep. Maartje was 25 jaar oud. De 10e april was een frisse dag, met vorst in de nacht en een gemiddelde dagtemperatuur van 5.7 °C. Wellicht is dat de reden waarom de huwelijksfoto’s nogal koeltjes overkomen. Maar het kan ook te maken hebben met het feit dat Maartje in verwachting was en er dus getrouwd moest worden. Misschien is de schrik, de schaamte en het ongeloof wel door de camera vastgelegd. De ouders van Wijger waren bij het huwelijk aanwezig, net als Maartje’s moeder. Haar vader was toen al overleden. Als getuigen traden op:

  • Freerk Dijkstra, 37 jaar, los werkman, woonachtig te Franeker, broeder van de bruid
  • Doede Jelles Bruinsma, 28 jaar, chauffeur, woonachtig te Franeker, broeder van de bruidegom

Wijger en Maartje kregen samen de volgende kinderen:

  1. Jelle Sikke, 21 september 1950 Franeker –
  2. Sikke Jelle, 19 oktober 1955 Franeker –
  3. Jan Doede, 31-maart 1961 Heemskerk –

Het vernoemen was een eeuwenoude traditie, een ongeschreven wet die vrijwel door iedereen in acht nam. Het vernoemen symboliseerde het herleven van de vroegere generatie. Ook geloofde men dat door het vernoemen een deeltje van het oude (leven) en het nieuwe (leven) werd doorgegeven. Wijger en Maartje waren de laatsten die deze traditie in stand hielden. Hun kinderen hebben ermee gebroken en zo is de band met een eeuwenoude traditie voorgoed verbroken.

Na hun huwelijk woonden ze eerst bij zijn ouders in (Jelle Doedes Bruinsma en Jantje Hendriks Bron) en zelfs een tijdje bij zijn opa (Doede Jelles Bruinsma). Hun eerste, eigen woning was in de Van Der Bildtstraat 1 te Franeker, en midden jaren vijftig verhuisden ze naar de Heerengracht 38, ook te Franeker. In die tijd kwamen er vaak vrienden over de vloer, werd er gepraat en veel gelachen. De mannen werkten in die tijd nog op zaterdagmorgen tot 13.00 uur. Wijger ging dan naar huis, waste zich, deed zijn beste kleren aan (pak 1, zoals ze dat noemden) en flaneerde dan samen met Maartje door Franeker. Ze lazen ook veel in die tijd. In bed, het boek tussen hen in en samen lezend in hetzelfde boek. Zoals we zagen was Wijger een dagloner, een seizoen arbeider. In 1954-1955 werkte hij voor de Combinatie L.S.W. Franeker, waar hij werkte op de combine. Zo werkte hij ook regelmatig bij Ypma & Zonen, op de Zuiderkade nummer 2, en zat hij in poot- en consumptie-aardappelen om te klauwen. Firma de Jong (bakkerij-grondstoffen), op de Tuinen 39, was een andere werkgever. En Cats kolen natuurlijk, waar hij altijd met enorm veel plezier over vertelde. In de jaren vijftig begon het tij echter te keren. Als los werkman was er geen enkele baangarantie en het werk werd schaars. De Hoogovens in IJmuiden zat echter om mensen te springen. De nood was zo hoog, dat ze met speciale bussen de provincies afgingen om arbeiders te werven. Eind 1956 parkeerde deze bus op de Bredeplaats in Franeker en daar zijn ze toen naar binnengestapt. Niet alleen was er een best salaris te verdienen, zo werd hun voorgespiegeld, de Hoogovens zou ook nog eens voor een huis zorgen. Maartje en Wijger gingen akkoord. In januari 1957 werden de getuigschriften verzameld. Firma de Jong schreef: wij hebben hem in die tijd leren kennen als een accuraat en eerlijk mens.

Hij ging alleen, in eerste instantie, vrouw en kinderen bleven achter in Franeker. Die eerste maanden, moederziel alleen in die vreemde stad, moeten een ware nachtmerrie voor hem geweest zijn. Verloren en ontheemd zal hij zich hebben gevoeld, want niet alleen liet hij zijn gezin en zijn familie achter, ook kreeg hij te maken met een totaal andere mentaliteit. Wijkers (inwoners van Beverwijk) namen over het algemeen geen blad voor de mond en konden recht voor hun raap zijn. Hij kwam ‘in de kost’ bij een familie in Beverwijk en reisde in het weekend naar zijn gezin in Franeker. Na een tijdje begon het Maartje op te vallen dat hij magerder werd. En na veel vijven en zessen kwam de aap uit de mouw: de maaltijden waren karig, en al helemaal omdat de familie waar hij in de kost lag hem verplichtte als laatste op te scheppen. Wat er in de praktijk op neerkwam dat er vrijwel niets over was en hij een groot deel van de week honger leed. Die zondag ging Maartje mee naar Beverwijk om orde op zaken te zetten. Niet alleen gaf ze het echtpaar waar hij in de kost lag een veeg uit de pan, ze zorgde er ook voor dat hij bij een andere familie (ook uit Franeker) in de kost kon. Uiteindelijk kwam Maartje met de kinderen over uit Franeker en ze vestigden zich in eerste instantie op de Pieter Verhagenlaan 41 te Beverwijk. Lang duurde dat niet, en na een tijdje op de Loirestraat 15 te Heemskerk gewoond te hebben, verhuisden ze uiteindelijk naar de Alkmaarseweg 207 in Beverwijk.

Wijger en Maartje waren verhalenvertellers. Maartje had een sterke voorkeur voor de tragiek in het leven en haar verhalen gingen dan ook steevast over armoede, ziekte en dood. De stakker, was haar steevaste uitdrukking. Wijger was heel anders, zijn verhalen waren kolderiek en behoorlijk aangedikt. Die vertelde – zoals gezegd – over Abe, over de films van Tarzanggg, over Laurel en Harry (zoals hij steevast zei) en over de mannen waarmee hij gewerkt had. Over Paulus bijvoorbeeld, die er stellig van overtuigd was dat we allemaal in een soort droomwereld leefden. Jij denkt dat je hier werkt, zij Paulus dan bijvoorbeeld, maar dat is niet zo. Of: jij denkt dat je getrouwd bent, maar dat is niet zo. Of de verhalen over Ruurd en Geert Tichelaar die onder de bijnamen de Kegel en de Opperkegel door het leven gingen.

Handig was hij altijd geweest. Hij deed vrijwel alles zelf, van behangen tot een douche aanleggen in huis. Sterk was hij ook, met bovenarmen die gespierder waren dan de bovenbenen van een volwassen man. Toen ze vanuit de Loirestraat naar de Alkmaarseweg verhuisden, gebeurde dat op een open wagen. Tegen twaalf uur ging de bestuurder van de wagen naar huis om even te lunchen. Hij was nog niet de straat uit of het begon te regenen. En dat terwijl de open wagen nog vol stond met meubelen. Een van die meubelstukken was een donker, eikenhouten dressoir, met dikke ronde bolpoten eronder. Het was een kolossaal ding en loodzwaar. Wijger zette zijn enorme handen onder het dressoir, tilde het van de wagen af en sjouwde het naar binnen. Van auto’s moest hij niets weten en hij verfoeide iedereen die zo’n ding aanschafte. Totdat hij het aanbod kreeg het eten naar de vele kantines op het Hoogovens terrein te rijden. Daarvoor was echter wel een rijbewijs nodig. Hij was ergens achter in de veertig toen hij rijlessen nam. Hij slaagde en wonder boven wonder schafte hij zelfs een auto aan. Een paar jaar later klauwde hij in de motor om alsof hij zijn leven nooit anders had gedaan.

Het was geen gelukkig huwelijk, helaas. De enige reden waarom hij was gebleven, zou hij later zeggen, was om de kinderen. Vreemd eigenlijk, omdat er ook altijd spanningen waren tussen hem en diezelfde kinderen. Wijger begreep niets van de veranderende tijden, de vrijheden en mogelijkheden die de volgende generatie ineens kreeg. Zo stoorde hij zich mateloos (zoals zovele ouders in die tijd) aan het lange haar van de jongens. Hij kwam een keer thuis van zijn werk, zag zijn langharige zoon in de kamer zitten en bromde tegen mijn moeder: nou, er zit ook een meid in de kamer.

Ergens in het eerste deel van de jaren tachtig werd hij ziek. Hij kreeg last van zijn maag en vaak zat er bloed bij zijn ontlasting. Hij negeerde het, sprak er met niemand over, ook niet met mijn moeder. De kinderen waren toen al het huis uit. Op een vrijdagavond werd hij hals over kop naar het ziekenhuis gebracht en nog diezelfde avond geopereerd. De uitkomst van de operatie kon niet slechter zijn: hij had darmkanker.

Door allerlei nare redenen gingen Maartje en Wijger een tijdje uit elkaar. Hij huurde een woning in Tzummarum en had vrijwel direct contact met de dorpsbewoners, want in Friesland kwam zijn zelfvertrouwen weer terug. Toch, hij zat daar moederziel alleen en had geen enkel benul hoe je een huishouden moest runnen. Tot overmaat van ramp werd hij weer ziek. Hij nam weer contact op met Maartje. Er werd gepraat, er werd op en neer gereisd. De gebeurtenissen hadden haar wereld doen wankelen en ze ontfermde zich over nu over hem. Maar in Tzummarum wilde ze niet wonen. Wijger werd ondertussen steeds zieker en raakte eind 1984 andermaal in het ziekenhuis. Buiten was het koud en het sneeuwde, toen Maartje het bericht kreeg dat hij nog maximaal een jaar te leven had. Hals over kop werd de verhuizing naar Hallum in gang gezet waar ze hem de laatste maanden van zijn leven met veel liefde verzorgde. Hij ging razendsnel achteruit, vermagerde en was uiteindelijk nog maar een schim van de man die hij ooit was geweest. Uitgemergeld, vel over been.

Hij overleed op woensdag 1 mei 1985, om 23.30 uur op de Koarte Five 36 te Hallum. Maartje en de kinderen (en partners) waren bij hem. Op een stralende maandag, de 6e mei 1985, om kwart voor twee in de middag, werd hij te Goutum gecremeerd. Wijger Jelles Bruinsma werd slechts 58 jaar oud.

 

Advertenties