Doede Jelles (1872-1954)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Jelle Doedes Bruinsma (1828-1875) & Aafke Wytzes Wiersma (1842-1926)
Grootouders: Doede Pieters Bruinsma (1797-1843) & Antje Jelles Hieminga (1801-1883)
Overgrootouders: Pyter Jelles Bruinsma (1747-1812) & Geertie Jans (1768-1846)
Betovergrootouders: Jelle Hilbrands Bruinsma (1714-1792) & Siebrig Pieters Felsen (1720-1807)

Doede Jelles Bruinsma werd op woensdag 19 juni 1872, om 12.00 uur te Tzum geboren. Het huisje is afgebroken, maar het  was een eenkamerwoning met 2 bedsteden. Het was over de 24 graden in Nederland, een prachtige zomerdag. Daarmee was hij het tweede kind (en de eerste jongen) in het gezin van Jelle Doedes en Aafke Wytzes. Alleen zijn zusje Reinske (1869) was hem voorgegaan.

Tzum 123

Drie jaar later (1875) werd zijn zusje Antje geboren, maar zij overleed binnen een maand. Zes maanden na het verlies van zijn zusje Antje overleed zijn vader Jelles Doedes, nog maar 47 jaar oud. Zijn moeder Aafke was toen net zwanger en acht maanden na de dood van haar man werd haar dochtertje Jeltje geboren. Maar ook zij leefde maar heel kort en overleed in 1880 op 3-jarige leeftijd. Doede Jelles was zelf nog maar acht jaar oud, maar toch had hij al twee zusjes en zijn vader verloren.

De volkstelling van 1879 gaf aan dat er binnen de bebouwde kom van Tzum op dat moment 267 mannelijke en 294 vrouwelijke inwoners waren, verdeeld over 143 woningen. Twee woningen in het dorp stonden leeg. In het armenhuis te Tzum zaten vervolgens nog in totaal 32 mensen: 14 mannelijke en 18 vrouwelijke. Dat was dus het kleine dorp waar Doede Jelles in opgroeide.

Armenhuis Franeker

Het leven in het armenhuis kon gruwelijk zijn, zoals een weesjongen in het armenhuis van Franeker (hij zat er van 1878 tot 1888) verklaarde: Bij het opstaan ’s morgens ging het er op los, dan werden wij met de bullepees uit bed gejaagd, zoodat wij in onze onderkleren – al was het ook bij felle kou – naar beneden moesten. Ook met de oude mensen was dit het geval. Ja, de vader (van het armenhuis) ontzag zelfs niet de oude mensen van 80 jaar het dek af te scheuren en hen te dreigen met de bullepees, als ze niet spoedig naar beneden gingen.

Even verderop in zijn verslag schrijft hij: Het betreft thans geen jongen of meisje, maar een mens van 55 jaar. Dit mens was volgens zeggen niet recht pluis. Doch door wiens schuld? Door de schuld van de vader en de moeder (van het armenhuis), die het mens hard lieten werken van ‘s-morgens tot ‘s-avonds, waarbij ze dan nog zoo mishandeld werd dat wij er van gruwden. Ook werden haar des middags onder ’t eten dikwijls nog slagen met de vuist door vader of moeder toegebracht. Dit was dan dien middag waarvan ik wens te spreken ook het geval geweest. Het was twee uur des middags dat wij vrij kregen om uit te gaan. Doch aan bedoeld mens werd deze vrijheid geweigerd. Ze werd onder allerhande scheld- en vloekwoorden naar het washuis verwezen, onder bedreiging dat als zij niet gauw ging, hij de bullepees er eens over zou halen. Het mens was zo ontzet dat, toen zij alleen op de binnenplaats was, zij zich in de regenwaterbak ging verdrinken. De hulp van stadsgeneesheer Dr. J. Mulder mocht niet meer baten. 

Tijdens de keuring in 1891 voor de militaire dienst werd de volgende beschrijving van Doede Jelles genoteerd:

  • Lengte: 1.73 meter (1 meter en 734 millimeter om precies te zijn)
  • Aangezicht: ovaal
  • Oogen: blauw
  • Kin: rond
  • Haar: blond
  • Wenkbrauwen: blond
  • Merkbare teekenen: geen

Doede Jelles werd vrijgesteld van dienst vanwege het feit dat hij de enige zoon in het gezin was. En toch zou hij vijf jaar als soldaat dienen. Op 11 april 1892 liet hij bij notaris Postma te Sneek vastleggen dat hij bereid was de diensttijd van Sieds Althuisius uit Gauw over te nemen. Doede ontving hiervoor in totaal een bedrag van 250 gulden van Sieds. Dat was een aanzienlijk bedrag in 1892, maar voor 5 dienstjaren betekende het dus omgerekend 50 gulden per jaar. Doede werd die dag bijgestaan door Hendrikus Rudolphus Dop, stalknecht te Heerenveen, die namens Doede’s moeder de zaken waarnam. Moeder Aafke werd in de akte omschreven als weduwe en moeder en voogdesse van gemelde Doede Bruinsma. En zo werd Doede Jelles op 10 mei 1892 alsnog ingelijfd bij het Korps Pantserfort Artillerie. In praktijk betekende het dat hij anderhalf jaar actieve dienst zou vervullen, gevolgd door twee herhalingen gedurende vijf, zes weken. Dus in dat licht bekeken was 250 gulden zo slecht nog niet. Het afkopen van de dienstplicht liep op zijn einde en werd in 1898 afgeschaft.

Doede was nog in dienst, dus het betekende dat er speciaal verlof moest worden aangevraagd toen hij in juli 1893 wilde trouwen. Het verlof kwam er, getekend en wel op 24 juni 1893 te Haarlem, en op zondag 16 juli 1893 trouwde hij In Franeker met Jeltje Vellinga. Jeltje werd op zondag 18 juni 1871, 05.00 uur in de ochtend te Franeker geboren. Yme Alkema, een van de beide mannen die aangifte kwam doen, kon de akte niet ondertekenen; verklarende niet te kunnen schrijven, zulks niet geleerd hebbende. De ouders van Jeltje waren Wieger Vellinga en Fokje Tichelaar, beiden afkomstig uit Franeker. Op hun trouwdag was Doede 21 jaar oud, zijn vrouw Jantje 22 jaar. Hij erkende ook de zoon (ook Doede genaamd), geboren op 2 augustus 1892 uit Jeltje Vellinga. Afgaande op de naam van het kind, zal Doede wel de vader zijn geweest. Het vernoemen was immers verplicht. Toch, zeker is het niet, want een dag na de geboorte deed vroedvrouw Anna Helena Bayle aangifte bij de burgerlijke stand, maar een naam van de vader van het kind werd niet genoemd. Mocht er al iets moois gebloeid hebben tussen Doede en Jeltje, dan was de naam Doede voor het kind in ieder geval een hele verstandige keuze. Of Doede nu de vader was of niet. Jeltje Vellinga was in ieder geval bijna 10 maanden een ongetrouwde moeder met kind. En daar zal over geroddeld zijn, dat kunnen we met een gerust hart aannemen. Als getuigen traden op:

  • Valentijn Vellinga, 25 jaar, arbeider, woonachtig te Franeker, neef van de bruid
  • IJbele Vellinga, 48 jaar, arbeider, woonachtig te Franeker, oom van de bruid
  • Valentijn Vellinga, 31 jaar, arbeider, woonachtig te Franeker, broeder van de bruid
  • Luitsen Vellinga, 49 jaar, arbeider, woonachtig te Franeker, oom van de bruid

En zo was er dus een kwartet Vellinga’s samengekomen, zelfs twee Valentijns, om getuige te zijn van het huwelijk van hun hun zus c.q. nicht. Doede en Jeltje kregen samen de volgende kinderen:

  1. Doede (aangenomen kind), 2 augustus 1892 te Franeker – 12 april 1980 te Best (87 jaar)
  2. Wijger, 30 april 1894 te Franeker – 28 mei 1985 te Leeuwarden (91 jaar)
  3. Jelle, 27 december 1895 te Franeker – 14 oktober 1981 te Leeuwarden (85 jaar)
  4. Fokje, 10 januari 1897 te Franeker – 5 augustus 1897 te Franeker (6 maanden)
  5. Valentijn, 5 juni 1898 te Franeker – 2 mei 1966 te Leeuwarden (67 jaar)
  6. Willem, 3 december 1899 te Franeker – 22 maart 1991 te Leeuwarden (91 jaar)
  7. Jacob, 4 oktober 1904 te Franeker – 14 februari 1910 te Franeker (5 jaar oud)

Zowel Doede (de aangenomene) als Valentijn zouden Friesland verlaten. Valentijn vertrok naar Medemblik, maar keerde uiteindelijk in 1935 weer terug naar Friesland. Doede echter waaierde uit naar Brunssum, Kerkrade, Eindhoven en Best en zou daar uiteindelijk ook overlijden. Zijn dochter Jeltje zou er nog een schepje bovenop doen en vertrok in 1948 naar Glasgow, Schotland! Maar daarover later meer.

Scheepsjager

Het scheepsjagen vond in de Noordelijke Nederlanden al in de 17e eeuw plaats. Het zeilen was in veel kanalen vrijwel niet mogelijk vanwege de vele bruggen en vanwege de breedte van het kanaal en dus moest het schip getrokken worden. Omdat scheepsmotoren in die tijd nog niet in gebruik waren, moest dit trekken van de schepen door de schipper zelf gebeuren. De scheepsjager sprong hierop in door zijn diensten tegen betaling aan te bieden. Hij was in het bezit van een trekpaard en loodste de schepen op deze manier de stad in. Het beroep genoot zeer weinig aanzien, zo blijkt uit de woorden van een schout: een hoop volk dat over algemeen behoort tot een der laagste en onordelijkste klassen der maatschappij, zonder eenige opvoeding of zeden en bij herhaaldelijk ondervinden gebleken volkomen onvatbaar te zijn voor rede, billijkheid of wetten. Omdat het scheepsjagen ook ’s nachts doorging, verschenen in de buurt van bruggen en kanalen zogenaamde dorpscafés. Hier konden de schippers niet alleen een scheepsjager inhuren maar ook overnachten en hun paard stallen. Jaag- en trekpaden zijn nog steeds terug te vinden in het Friese landschap.

Op dinsdag 23 maart 1937, 17.00 uur, overleed Jeltje Vellinga op de Heerengracht nummer 37 te Franeker, het adres waar ze ook in 1941 al woonden. Ze was 65 jaar oud.

Jantje Vllinga

Heerengracht Franeker

Doede Jelles overleed tenslotte op vrijdag 16 april 1954 te Franeker. Hij werd 82 jaar oud.

Overlijden Doede1

Advertenties