Jetske Jans (1845-1888)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Jan Feikes Bruinsma (1814-1885) & Aaltje Seerps Anema (1817-1871)
Grootouders: Feike Hilbrands Bruinsma (1781-1835) & Tietje Jans Bangma (1788-1827)
Overgrootouders: Hillebrand Jelles Bruinsma (1743-1824) & Eeke Rommerts de Boer (1746-1783)
Betovergrootouders: Jelle Hilbrands (1714-1792) & Sibrig Piters Felsen (1720-1807)

Jetske Jans Bruinsma werd op donderdag 19 juni 1845, des morgens ten vijf uur in het huis genummerd 66 te Sexbierum geboren. De lange, barre winter was toen net een paar maanden achter de rug. Een winter die al op 3 en 4 november was begonnen met een dik pak sneeuw en dichtvriezende rivieren. In maart 1845 daalde het kwik naar -17 °C in Leeuwarden en door de snijdende oostenwind was de gevoelstemperatuur -30 °C tot -40°C. Pas eind maart maakte de vorst plaats voor zware stormen, waardoor rivieren buiten hun oevers traden en de lage delen rond Nijmegen en Den Bosch onder water kwamen te staan. Door dit alles mislukte de oogst en stegen de broodprijzen in 1845 naar fabelachtige hoogten. Onder dit gesternte kwam Jetske vlak voor de zomer van 1845 ter wereld. Zij was het vierde kind van Jan Feikes Bruinsma en Aaltje Seerps Anema. Haar oudste broer Feike was nog maar vier jaar oud, haar zusje en naamgenoot Jetske was in 1842 geboren en overleden, en haar broer Seerp zou precies veertien dagen na haar geboorte twee jaar oud worden. Qua leeftijd zaten de kinderen dus heel dicht bij elkaar. Na Jetske zouden er nog negen kinderen geboren worden, dus in totaal kwamen er dertien kinderen in dit gezin ter wereld.

Van haar jonge jaren is helaas niets bekend. Zo weten we bijvoorbeeld niet of zij kon lezen en schrijven. Hoogstwaarschijnlijk niet, want pas in 1863 opende de Lagere School in Sexbierum haar deuren. Veel eerder zal zij in het huishouden hebben geholpen en de zorg hebben gehad voor haar jongere broertjes en zusjes. En net als zoveel tijdgenoten, werd ook Jetske al heel vroeg geconfronteerd met de dood. Ze was negen jaar oud toen haar broertje Pieter op 2-jarige leeftijd overleed. En de jaren zestig van de 19e eeuw brachten nog veel meer verdriet. In 1861 overleed haar oudste broer Feike, in 1862 haar zusje Geertje en in 1865 haar broertje Paulus. En of dat nog niet erg genoeg was, overleed haar moeder in 1871. Hebben al deze beproevingen bijgedragen aan wat er een paar later met Jetske zou gebeuren? Of waren er al veel eerder signalen dat er iets mis was met haar? We zullen het nooit met zekerheid weten.

Franeker Jetske

Wat we wel zeker weten is dat zij op zaterdag 15 mei 1875 werd opgenomen in Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen, op de Academiestraat 10 te Franeker. Ze was toen 29 jaar oud en haar diagnose luidde: epilepsie et mania periodica religiosa. Een van de geneesheren schreef op die 15e mei dat zij er “tamelijk weldoorvoed” uitzag. Zij had een “hoogrode gelaatskleur en hooge warmtegraad.” Op die eerste behandeldag was zij in religieuze extase en stond te gesticuleren en schreeuwen. Ze beantwoordde geen enkele vraag en verzette zich als men haar wilde vastpakken. Uiteindelijk werd ze naar de gecombineerde cel gebracht, waar ze spoedig bedaarde en “stil en met gevouwen handen in een hoek” stond.

Het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen was gevestigd in het gebouw van de voormalige Universiteit van Franeker. Een groter contrast was dus niet denkbaar. Op maandag 31 maart 1851 namen de eerste patiënten (negen vrouwen, achttien mannen) hun intrek. De aanpak in Franeker was zijn tijd ver vooruit, want dwangmiddelen waren verboden. De geneesheer-directeur drukte het personeel op het hart dat “zoveel mogelijk alle gestrengheid en hardheid” moest worden vermeden. De patiënten konden dan ook op meer begrip en liefde rekenen dan in welke andere instelling dan ook. En dat was wel eens anders geweest, want de toestanden in de voormalige dolhuizen waren mensonterend. De “razende” zat met ketens vastgemaakt aan zijn of haar “krib” en het eten werd toegediend in een ijzeren bak, die met kettingen buiten de deur kon worden vastgelegd. De hokken waar de ongelukkigen in opgesloten zaten waren onverwarmd (ook in de strengste winters) en werden eenmaal per week schoongemaakt. Van geneeskundige behandeling was geen sprake en in veel dolhuizen werden weerbarstige patiënten door de “vader” met de bullepees afgeranseld. Zelfs in 1825 was het nog mogelijk om met Pasen de beruchte dolhuis-kermis te Utrecht te bezoeken. De bezoekers mochten dan gratis naar binnen en “konden de krankzinnigen aangapen, bespotten en sarren.” Franeker was dus verlichtend en vooruitstrevend. En vanaf het midden van de 19e eeuw kreeg de uitdrukking “die zit in Franeker” in Friesland ineens een hele andere betekenis.

Toen Jetske op zondagmorgen 16 mei 1875 aan het ontbijt verscheen, omarmde en kuste zij sponstaan verschillende mede-bewoners. Die omarmingen waren “dikwijls zeer hardhandig. Zo heeft zij bij zulkeene gelegenheid de naaister haar oorbel aan stukken gebroken.” De rest van de dag verkeerde zij in een religieuze extase. Ze declameerde bijbelteksten en zong psalmen. Op maandag de 17e kwam de Regent (van het gesticht) op bezoek en ook deze werd door Jetske innig omarmd en gekust. Het kostte de nodige moeite om hem uit de omarming te bevrijden, want ze weigerde hem los te laten.

Op dinsdag 18 mei weigerde zij eten en te drinken, omdat ze meende vergiftigd te zullen worden. De dag erop weigerde zij om dezelfde reden haar middageten. Bij het ontbijt echter was er geen angst voor vergiftiging:“Intusschen eet zij hare boterhammen goed op en drinkt zij ook hare koffie.” Op donderdag 20 mei mocht ze even naar buiten en de geneesheer nam haar mee naar een pand aan de Voorstraat. Hij schreef: “vrij bedaard gehouden, maar wil telkens gaan bidden en is vrij handtastelijk.” De volgende dag gingen ze naar hetzelfde pand, maar Jetske wist “zich niet te herinneren daar ooit geweest te zijn. Behalve eenige hartstochtelijke uitdrukkingen en gebaren, houdt zij zich overigens vredig.” Wel werd zij meerdere malen per dag getroffen door “epileptische aandoeningen, doch die zijn in de regel kort van duur.” 

Op zaterdag 22 mei 1875 was zij wederom vredig en werd besloten haar over te plaatsen naar “de gewone kamer.” De geneesheer voegde er aan toe: “als men zich lang met haar onderhoudt, begint zij te schreien en wordt ze zeer zenuwachtig.” Tot zaterdag 3 juli 1875 bleef zij onder observatie, toen werd er een verklaring opgesteld en werd Jetske een permanente bewoonster in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Franeker. En zo sleet ze haar jaren in haar eigen wereldje en het is maar de vraag of haar vader en haar broers en zusters haar ooit hebben kunnen, mogen en willen bezoeken.

Curatele Jetske

Op woensdag 8 oktober 1884 schreef de geneesheer: “het eene oogenblik vloekt zij, slaat met de vuist op tafel en moet soms worden afgezonderd omdat zij zooveel leven maakt, het andere oogenblik vat zij mijne hand en drukt die aan haar hart of hare lippen.” Vanaf eind 1884 werd er maandelijks een notitie in haar patiëntendossier toegevoegd, waardoor we een duidelijk beeld krijgen hoe haar laatste levensjaren zijn verlopen. Zo weten we bijvoorbeeld dat het aantal “toevallen” (epileptische aanvallen) gestaag opliep:

  • 1885: 89 toevallen
  • 1886: 130 toevallen
  • 1887: 139 toevallen

Dossier

Tussen alle toevallen door slingerde haar gemoedsrust van het ene- naar het andere uiterste:

  • dinsdag 3 februari 1885: “nu en dan zeer opgewekt”
  • vrijdag 5 juni 1885: “zeer druk”
  • vrijdag 2 april 1886: “nu en dan zeer opgewekt”
  • zaterdag 5 juni 1886: “zeer hysterisch”
  • maandag 4 oktober 1886: “nu en dan zeer opgewekt”
  • donderdag 9 december 1886: “zeer hysterisch”
  • zaterdag 5 februari 1887: “nu en dan zeer druk”
  • zaterdag 9 april 1887: “zeer hysterisch”
  • woensdag 8 juni 1887: “soms zeer druk”
  • maandag 8 augustus 1887: “soms zeer opgewekt”
  • zaterdag 3 december 1887: “hysterisch, epileptisch”
  • woensdag 2 februari 1888: “kan niets doen”

In 1885 overleed Jetske’s vader, maar het is maar de vraag of haar dat is meegedeeld en zo ja: of zij heeft beseft wat dat betekende. In de nalatenschap stond onder andere te lezen dat “wegens kosten van hare curatele stellen” een bedrag van 192 gulden en 9 en een ½ cent (omgerekend € 2.383) van de erfenis werd afgehaald.

In de maand januari 1888 werd zij getroffen door 19 toevallen en in de maand februari door nog eens 12. De gegevens werden steeds met terugwerkende kracht in het dossier opgenomen, dus we weten niet hoeveel toevallen ze in maart 1888 heeft gehad. Want voordat deze gegevens konden worden genoteerd overleed ze. Jetske overleed op woensdag 4 april 1888, des morgens ten vijf ure aan een epileptische aanval. De aangifte van haar overlijden werd gedaan door de 50-jarige “Binnenvader” Ruurd Vos en door de de 27-jarige Hendrik Velding, “Commies ter Secretarie.” Jetske Jans Bruinsma werd slechts 42 jaar oud, waarvan ze de laatste 13 jaar van haar leven in Franeker had doorgebracht. Hoewel Jetske’s vader eerder overleed, verscheen er een rouwadvertentie van zijn overlijden in de krant en staat de grafsteen van hem en zijn vrouw er nog steeds. Na het overlijden van Jetske werd er geen rouwadvertentie geplaatst en haar (eventuele) grafsteen is inmiddels verdwenen.

Binnen

 

Advertenties