Jelle Hilbrandts (1714-1792)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Hilbrandt Jelles & Gryttje Martens

Jelle Hilbrandts werd op woensdag 23 oktober 1714 te Bolsward geboren. Bij zijn geboorte waren vrijwel zeker alleen vrouwen aanwezig. Zo werden de naaste buurvrouwen waarschijnlijk gevraagd om te helpen en was er een froedfrou of goedfrou aanwezig (een froedfrou had een examen afgelegd, een goedfrou niet). Tijdens het examen moest de aspirant froedfrou onder andere antwoord geven op de vraag: wat te doen het kint niet wel gekeert synde. Pijnstillers bestonden nog niet en elke bevalling kon een strijd op leven en dood worden. Waarbij niet alleen het leven van het ongeboren kind op het spel stond, maar ook dat van de vrouw.
De volgende dag werd Jelle in de Grote Kerk te Bolsward gedoopt: Den 24 Octob. heeft Hilbrandt Jelles zijn kindt, gister geboren, laten dopen G[enaamd] Jelle (de Grote kerk werd in 1459 ingewijd en is nog altijd te bewonderen). De zuigelingensterfte was hoog en de angst groot dat een baby zou overlijden voordat het gedoopt werd. Als dat gebeurde zou het kind voor altijd in het voorgeborchte tussen hemel en hel blijven. Dat was dan ook de reden waarom Jelle zo snel gedoopt werd. Hij was het eerste kindje van vader Hilbrandt Jelles en moeder Gryttje Martens. Zij waren op zondag 23 oktober 1712 in de Hervormde Kerk te Hindeloopen getrouwd, wat betekent dat zij ergens tussen 1680 en 1692 geboren waren. Jelle werd dus op de dag af twee jaar na het huwelijk van zijn ouders geboren. Na hem zouden er nog zes broertjes en zusjes geboren worden: Marten (1716), Willemke (1717), Pytter (1719), Attje (1720), Grietie (1723) en nogmaals een Grietie (1725).

In 1744 (dus 30 jaar na Jelle’s geboorte) telde Bolsward 2.389 inwoners. Tegen de hoofdstad Leeuwarden kon Bolsward natuurlijk niet op, want daar woonden in totaal 13.462 personen. Maar vergeleken met bijvoorbeeld Tzum (540 inwoners), Dronrijp (720), Wommels (390), Kubaard (191) of St. Annaparochie (1.126), behoorde Bolsward aan het begin van de 18e eeuw tot één van de grotere steden. Leeuwarden was in den winter vaak van alle gemeenschap afgesneden, omdat de wegen onbegaanbaar waren.
Zowel mannen als vrouwen droegen in de eerste helft van de 18e eeuw pruiken (deze periode heet dan ook de pruikentijd). Dat gold trouwens alleen voor de welgestelde bovenlaag in ons land. Iemand als Jelle zal tijdens zijn leven nooit een pruik hebben gedragen. Hij had andere dingen aan zijn hoofd. Hij werd geboren in een tijd waarin alle gezinsleden bij elkaar in één ruimte sliepen (ook in herbergen bijvoorbeeld). Vrouwen kookten boven een open vuur en een chirurgijn beschikte onder andere over een zaag met toebehoren, vier tandentrekkers, drie scharen, twee spuiters en zeven scheermessen. Wie ziek was ging naar de chirurgijn of naar de barbier. Officieel waren barberie en chirurgie in 1691 van elkaar gescheiden, maar nog tot halverwege de 18e eeuw kon men naar de barbier voor een knipbeurt en allerlei lichamelijke kwalen. Jelle was al over de veertig toen Mozart geboren werd (1756) en dik over de zeventig toen de eerste president van Amerika gekozen werd (1789). Een maanloze nacht in de 18e eeuw was inktzwart en de winters konden ijskoud zijn. In de winter van 1739 vroor het dat het kraakte en zorgden rondzwervende wolven voor groot gevaar. In 1742 werd Friesland geteisterd door een muizenplaag en in 1744 en 1745 sloeg (andermaal) de veepest toe. Overstromingen waren er ook, en de Kerstvloed van 1717 kostte aan 14.000 mensen het leven. In de eeuw waarin Jelle geboren werd, was de gemiddelde levensverwachting dertig jaar.

Het is niet bekend of Jelle ooit naar de lees- en schrijfschool (ook wel de Hollandsche school genoemd) is gegaan. Wel weten we dat hij in zijn latere leven boer en timmerman van beroep was. De meeste mannen beheersten meerdere ambachten en hadden verschillende beroepen. Een boer kon bijvoorbeeld ook een kuiper, een koopman of zelfs een visser zijn. Een boer was overgeleverd aan de grillen en de genade van Moeder Natuur. Te veel, of juist te weinig, neerslag kon rampzalige gevolgen hebben. Niet alleen voor het boerengezin, maar ook voor de inwoners van de nabijgelegen steden, waar men volledig afhankelijk was van wat de boer op de markt bracht. Honger en armoede lagen dus altijd op de loer. Wie wilde overleven moest meerdere ijzers in het vuur hebben en verschillende beroepen beheersen om een boterham te kunnen verdienen.

Jelle was eind twintig toen hij rond 1742 in het huwelijk trad met Sibrig Piters Felsen (Siebrig Pieters Felsen). Dit was waarschijnlijk in Exmorra, maar Exmorra’s kerkregisters uit die periode zijn helaas onvolledig. Siebrig werd rond 1720 geboren en zij was een dochter van vader Pytter Jans Felsen, boer en visser te Allingawier, en moeder Trijntje Wybes. Ze groeide op in een gezin met drie broers en drie zusters: Jan, Wybe, Ids, Trijntje, Claaske en Geertje. Toen haar vader in 1752 overleed, werd het boerenbedrijf overgenomen door haar oudste broer Jan. De andere broers en zusters kregen ieder 100 caroligulden en 3 zilveren lepels als zijnde hun deel van de erfenis. De caroligulden was een goudstuk met de beeltenis van Karel V en was sinds 1521 het betaalmiddel in ons land. De waarde van 1 carolis was 20 stuivers. Ter vergelijk: in 1728 kochten de ouders van Siebrig een huis voor 100 caroliguldens. Dus een erfenis van 100 caroliguldens + 3 zilveren lepels was een behoorlijke ergenis. Jelle en Siebrig zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Hilbrand, 1743 Exmorra – 26 november 1824 Lollum (81 jaar)
  2. Pyter, 1747 te Exmorra – 17 november 1812 Kubaard (65 jaar)
  3. Marten, 23 maart 1749 Exmorra – overleden vóór 1793
  4. Trijntje, 26 juli 1750 Exmorra, dopeling overleden
  5. Trijntje, 5 september 1751 Exmorra – overlijden Harlingen (waarschijnlijk 1798)
  6. Attie, 5 maart 1758 Exmorra – overlijden onbekend, leefde nog in 1792

Zoals eerder opgemerkt zijn de kerkregisters van Exmorra rond 1740 niet compleet. En dat is jammer, want ook in de 18e eeuw was er soms sprake van een heuse huwelijksakte, met daarin de prachtige passage:

……en belooft hebben den eenen den anderen nooit te zullen verlaten,
maar in tegendeel malkander lief hebben, eeren en dienen
voorts te samen leven en ommegaan zoo als eerlijke echtelieden betaamt

Rond 1740 werd er nogal geklaagd over de afnemende handel en scheepvaart in Friesland. Men overwoog dan ook de havenpacht af te schaffen en in plaats daarvan een jaarlijkse belasting per huisgezin in te voeren (de zogenaamde quotisatie: belasting naar draagkracht). En zo werd ieder hoofd van een huishouden genoteerd en vervolgens met welk bedrag hij de handel en scheepvaart binnen Friesland wilde stimuleren. Het heette een vrijwillige bijdrage te zijn, maar het volk gromde en morde en de quotisatie werd dan ook in 1750 alweer afgeschaft. En zo werd Jelle Hilbrands dus ook genoteerd, samen met sijn vrouw en 1 kind. Hij gaf 4 dukaten om de handel en scheepvaart binnen Friesland te stimuleren. Vier dukaten was ook het bedrag wat predikant Johannes Sadelaar afstond. Hij was in 1705 predikant in Exmorra geworden en hij woonde er met meijd. Er waren ook best wat huishoudens te Exmorra met een dienstbode. Pieter Ottes en zijn vrouw hadden bijvoorbeeld een dienstbode, net als Tjerk Jans en Tiete Baukes en syn vrouw en 5 kinders. De weduwe van Hoite Andries had ook een dienstbode en Hessel Ypes had er zelfs twee. Maar ja, die had dan ook geen vrouw. Tietje Ages woonde in 1744 ook te Exmorra. Ze was naaister van beroep en in het document werd ze omschreven als een onosele. Jacob Klases en zijn vrouw hadden samen een kind, maar hadden ook twee weeskinderen in huis. Zij gaven in 1744 maar liefst twaalf dukaten om de handel te stimuleren. En dat terwijl er bij hun naam werd toegevoegd: aan de arme kant.  En iemand als Jan Pieters was simpelweg te arm om een bijdrage te kunnen geven. Oud en arm stond er achter zijn naam. Exmorra telde in 1744 slechts 135 inwoners, verdeeld over 35 huishoudens.

Ook in 1749 werd Jelle’s naam in de quotisatie kohieren genoteerd. Zijn vermogen werd geschat op 500 caroliguldens (10.000 stuivers), dus het was niet zo verwonderlijk dat hij 30-5 afstond aan belasting (de 30-5 stond voor: 30 caroliguldens en 5 stuivers). Jelle boerde dus heel aardig. Hij werd trouwens genoteerd als gering boer, niet as timmerman.

In de tweede helft van de 18e eeuw was Jelle boer en meester timmerman. Dat betekende dat hij tot het gilde van timmerlieden behoorde en zelf leerlingen (timmermansknechten) mocht opleiden. In 1746 lieten Jelle Hilbrands, meester timmerman, en Sybrigh Pieters Felsen te Exmorra noteren dat zij 100 caroliguldens schuldig waren aan Fedde Heslinga en Geeltie Egberts te Bolsward, wegens levering van houtwaren. Tot onderpand stelden zij hun vee en timmergereedschap. Zoals eerder aangegeven kon je met 100 carolis een huis kopen, dus Jelle en zijn vrouw moeten een flinke partij hout gekocht hebben.
In 1750 lieten Jelle Hilbrands, meester timmerman, en Sybrig Pytters te Exmorra noteren dat zij 1100 caroliguldens schuldig waren aan Oene Rintjes en Moey Ulbes te Arum, vanwege de koop van 10 koeien. Elfhonderd caroliguldens was 22.000 stuivers, dus een enorm bedrag. Beide voorbeelden geven aan dat Jelle dus een echte boer en een echte timmerman was.

Op zondag 24 augustus 1760 verhuisde het gezin van Exmorra naar Kubaard. De afstand tussen de twee dorpen bedroeg hemelsbreed nog geen 13 kilometer, maar toch betekende het een nieuwe start en een nieuwe omgeving. Tussen 1768 en 1788 was Jelle Hilbrands boer en timmerman op het forse boerenbedrijf Groot Loopens te Kubaard. Hij had een grote stap vooruit gezet, want de landerijen in Kubaard waren tweemaal zo groot als die in Exmorra. Het was een tijd van vooruitgang voor het gezin. Het betekende ook dat de kinderen een erfdeel konden krijgen. Iets kunnen overdragen aan de volgende generatie, dat was waar Jelle en Siebrig voor gebeden zullen hebben. En hun gebeden werden verhoord.

Kubaard, met links in de bovenhoek Groot Lopens

Hieronder een advertentie uit 1789, waarin een woning te Coubaard, by Jelle Hilbrands als Huurder bewoond en gebruikt tot 1796. De jaarlijkse huurprijs bedroeg 600 Guldens en drie Kintjes beste Roode Booter. 

Jelle Hilbrandts overleed tussen juni 1792 en juni 1793 te Kubaard. Hij werd circa 78-jarige oud en liet een vrouw en vier kinderen na. Na zijn overlijden werd zijn bezit in vier gelijke parten verdeeld over de kinderen: Hilbrand, Pyter, Trijntje en Attie. Dat betekende dus dat zijn zoon Marten in juni 1793 al overleden was. Zijn vrouw Siebrig bleef in Kubaard wonen. Daar overleed ze tenslotte op zondag 5 juli 1807. Sibrig Piters Felsen werd circa 87 jaar oud.

Advertenties