Jacobus Melles (1808-1857)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Melle Hendriks Bron (1775-1822) & Feikjen Hanzes Jager (1767-1856)
Grootouders: Hendrik Arends Bron (1735-1803) & Aukjen Melles (1739-1804)

Op zaterdag 24 juni 1848 verschenen de volgende personen voor het kantongerecht in Leeuwarden:

  • Wijtze Lolkes van der Meer, arbeider, woonachtig te Leeuwarden
  • Auke Jongebloed, kastmakersknecht, woonachtig te Leeuwarden
  • Jurk van der Berg, schoenmaker, woonachtig te Leeuwarden
  • Marius Friso, arbeider, woonachtig te Leeuwarden

Allen van den gevorderden ouderdom, dewelke verklaarden wel te kennen Jacobus Melles Bron, arbeider wonende te Leeuwarden [.] en wel te weten dat hij geboren is te Ureterp, op den zes en twintigsten October des jaars Een duizend achthonderd en acht. En zo geschiedde het dan toch, bijna 40 jaar na dato: een bewijs van geboorte van Jacobus Melles Bron. Als we de getuigen mogen geloven werd hij dus op woensdag 26 oktober 1808 te Ureterp geboren. Jacobus was het zesde kind van veenarbeider Melle Hendriks Bron en Feikjen Hanzes Jager. Zijn zuster Jeltje was zestien jaar oud toen hij ter wereld kwam, broer Hendrik was twaalf, zusters Aukjen en Sjoukjen waren respectievelijk acht en zes, en broer Hans was drie. Na Jacobus zou zijn broertje Arend nog geboren worden (1812). Zoals gezegd werkte vader Melle op de veengronden en het lijdt geen twijfel dat de kinderen al op jonge leeftijd moesten meewerken.

Jacobus was geboren tijdens de Franse bezetting van ons land (1795-1813). In 1811 werd, op last van diezelfde Fransen, de Burgerlijke Stand ingevoerd en moesten alle families in Nederland een achternaam laten registreren. En dus vervoegde vader Melle zich op woensdag 19 februari 1812 bij het Canton Ureterp en verklaarde dat hij aanneemt de naam van Bron voor familienaam. Daarna gaf Melle de namen en leeftijden op van zijn kinderen, want ook zij behoorden nu tot de Bron familie. De opgegeven leeftijden klopten trouwens niet helemaal: zo was Aukjen (Akke) niet dertien, maar elf jaar oud. En Jacobus was niet twee, maar drie. Melle ondertekende de akte direct met zijn gloednieuwe achternaam.

In 1827 werd Jacobus gekeurd bij de Nationale Militie van de Provincie Vriesland. De dienstplicht (ofwel conscriptie zoals het toen genoemd werd) werd in 1810 – door de Fransen – ingevoerd. Na de keuring werd door loting bepaald wie in dienst moest en wie werd uitgeloot. Na de Franse bezetting bleef het systeem gehandhaafd. Jacobus werd goedgekeurd en ingedeeld als militair voor den tijd van vijf jaren, zijnde loteling van de ligting van 1830. Hem viel ten deel het Nummer 51; dat hij op het trekkings-Nummer is ingelijfd bij de 15e Afdeling Infanterie. 

Toen Napoleon in 1815 zijn Waterloo vond, werden de Noordelijke (Nederland) en de Zuidelijke (België) Nederlanden samengevoegd tot één natie onder Koning Willem I. En dat betekende dat ook Vlaamse en Waalse jongens bij de Nationale Militie moesten dienen. In de 15e Afdeling Infanterie, waar Jacobus was ingedeeld, zaten dus ook heel wat on-Nederlandse namen: Auguette Coulon, Desiré Degauquier (die een sterk pokdalig gezicht had, aldus het keuringsrapport), Martin Populaire, Florence Louvrier, Louis Delille en vele, vele anderen. In de zomer van 1830 kwamen de Belgen in opstand en wilden zich van de Noordelijke Nederlanden afscheiden. Op 23 september trok een regeringsleger van 12.000 manschappen de stad Brussel binnen om de opstand de kop in te drukken. Er werd vier dagen gevochten, met honderden doden en gewonden aan beide zijden. In het militaire stamboek van 1830 zien we in de maand september heel wat Waalse en Vlaamse soldaten uit de 15e Afdeling Infanterie deserteren. Zij kozen – begrijpelijkerwijs – de zijde van de opstandelingen (hun landgenoten). In 1831 viel het regeringsleger andermaal België binnen (Tiendaagse Veldtocht) en tijdens de schermutselingen maakte Jacobus deel uit van het Mobiele Leger en was hij te Maastricht gelegerd. Een jaar later ontving hij het Metalen Kruis 1830-1831. Dit ereteken werd uitgereikt aan alle soldaten die aan de Tiendaagse Veldtocht hadden deelgenomen. Dankzij de militaire keuring is er een  beschrijving  van hem bewaard gebleven:

  • Lengte: 1 Ellen 5 Palmen 7 Duimen 0 Strepen (1 meter 57 dus)
  • Aangezigt: rond
  • Voorhoofd: rond
  • Oogen: bruin
  • Neus: dik
  • Mond: ordinair (= gewoon)
  • Kin: rond
  • Haar: bruin
  • Wenkbraauwen: idem
  • Merkbare Teekenen: geene

Jacobus was dan wel ingedeeld als militair voor een periode van vijf jaar, maar in praktijk waren de meeste jongens binnen het jaar weer thuis. En dus tekende hij op zaterdag 31 december 1831 al bij voor een periode van zes jaar. Hij ontving een handgeld van f. 20 (huidige waarde € 183). Jacob verbleef in totaal drie volle jaren in Maastricht, want tijdens tijdens de Tiendaagse Veldtocht van 1831 en de daaropvolgende jaren 1832 en 1833 veranderde Maastricht in een vestingstad (De Blokkade van Maastricht). Want zowel de Belgen als de Nederlanders eisten Maastricht op. In de stad lagen waren ongeveer 6.000 Nederlandse soldaten gelegerd die er voor moesten zorgen dat Maastricht bij Nederland bleef. De Belgen belegerden de stad en blokkeerden de Maas, waardoor er geen schepen (en goederen) de stad binnen konden komen. Pas in 1834 werd een akkoord bereikt.
In 1840 was Jacobus gelegerd te Gouda en was hij ingedeeld bij het Reserve Bataillon – 4e Afdeeling Infanterie. Met zijn 31 jaar was hij niet eens de oudste van het bataljon: Pieter Petit uit Amsterdam bijvoorbeeld was 34 jaar, Hendrik Westenberg uit Hattem was 45 en Zacharias Koelman uit Utrecht was 48 jaar oud. Zij – Jacobus incluis – waren de ouwe rotten. Het merendeel van het bataljon bestond echter uit jongens van 19, 20 en 21 jaar oud. Alles bij elkaar telde het bataljon 322 soldaten, waaronder een handjevol uit Friesland: 3 uit Leeuwarden, 2 uit Franeker, 1 uit Heerenveen. En eentje uit Ureterp, en dat was Jacobus. Hij deelde een zaal met 30 andere soldaten, uit alle delen van Nederland: Willem Nocolaas Hooff (20 jaar oud) uit Den Haag, Gerard Baltras Bakker (35 jaar) uit Amsterdam, Gerrit van Oort (21 jaar) uit Breukelen, Johannes Hendrik Hartman (20 jaar) uit Rotterdam, Gerrit van Weerlee (29 jaar) uit Leiden en al die andere jongens die Jacobus stuk voor stuk kende. In juli 1844 zette hij echter een punt achter het soldatenleven en verruilde Gouda voor Leeuwarden.

Het is niet precies duidelijk in welke wijk van Leeuwarden hij zich vestigde, maar hij woonde in ieder geval in het huis genummerd 215. Daar woonde hij trouwens niet alleen: Pieter Jans Sipma (51 jaar) woonde er met 3 kinderen, de weduwe Martje Wybes Koopmans (27 jaar), Tjitske de Jong (56 jaar), Jacob Annes Bruinsma (41 jaar), Alexander Venenberg (41 jaar), Elisabeth Jansen (32 jaar) en haar 3 kinderen, Atze Jetzes Westerhuis (56 jaar), Dieuwke Wybes Koopmans (25 jaar) en Auke Jongbloed (43 jaar) en zijn 3 kinderen. In totaal woonden er 9 volwassenen (Jacobus niet meegerekend) en 9 kinderen in deze woning. Eén van de mensen die ook op dit adres had gewoond was Anke de Vries. Zij was echter in mei 1843 verhuisd, dus ruim een jaar voordat Jacobus erin trok. En toch zouden Jacobus en Anke elkaar ergens in Leeuwarden vinden en met elkaar trouwen. Jacobus was 39-jaar oud, toen hij op zondag 16 juli 1848 in het huwelijk trad met de bovengenoemde, en inmiddels 36-jarige, Anke Klazes de Vries. Anke was op  donderdag 18 juli 1811, des nagts ten 1 Uuren te Leeuwarden geboren en zij was een dochter van hovenier Klaas Willems de Vries (overleden in 1826) en Martina Josephs Kallebout (moeder Martina kwam oorspronkelijk uit Maastricht). Anke was zonder beroep en Jacobus werkte als arbeider (wat helaas van alles kon betekenen). Hieronder de handtekening van Jacobus, omdat de Bruid verklaard geen schrijven te hebben geleerd. Als getuigen traden op:

  • Hette Heins van Dijk, 50 jaar, klerk der Stadssecretary, wonende te Leeuwarden, den Contractanten vreemd 
  • Wybe van Nus, 32 jaar, klerk der Stadssecretary, wonende te Leeuwarden, den Contractanten vreemd
  • Joächemus Wijnants, 50 jaar, Agent van Kazenering, wonende te Leeuwarden, den Contractanten vreemd
  • Johan Coenraad Schrijver, 41 jaar, Stadsbode, wonende te Leeuwarden, den Contractanten vreemd

Jacobus en Anke zouden samen één kindje krijgen:

  1. Klaas, 28 mei 1852 te Leeuwarden – 2 april 1856 te Leeuwarden (3 jaar)

Anke was eerder getrouwd geweest, en wel in juni 1834 met Rinze Harkes Oosterwal uit Drachten. Het was blijkbaar geen gelukkig huwelijk, want Rinze keerde terug naar zijn geboortestad Drachten en Anke bleef in Leeuwarden wonen (ze zouden niet scheiden, tenminste niet volgens de wet). Het was de 65-jarige vroedvrouw Mayke van der Kooy die in augustus 1838 bij de Burgerlijke Stand liet registreren dat Anke was bevallen van een jongetje, Martinus genaamd. Wie de vader was, werd niet vermeld. In augustus 1847 (dus bijna een jaar voor haar huwelijk met Jacobus) werd een tweede kindje geboren, een meisje ditmaal die Feikje werd genoemd. Nu was het de 35-jarige vroedvrouw Jacoba de Vries die aangifte kwam doen. En ook nu werd er geen vader genoteerd. Een maand na de geboorte van Anke’s tweede kind overleed haar echtgenoot Rinze Harkes Oosterwal op 45-jarige leeftijd in Drachten. In de overlijdensakte werd genoteerd dat hij ongehuwd was. Dat was uiteraard onjuist, want toen Anke een jaar later trouwde, overlegde zij de overlijdensakte van Rinze (en geen scheidingspapieren, want die waren er niet) als één van de huwelijkse bijlagen. Als Rinze was blijven leven, had Anke nooit kunnen hertrouwen. Zijn dood maakte de weg vrij voor een tweede huwelijk.
Hoewel we het nooit zeker zullen weten, lijkt het onwaarschijnlijk dat Jacobus de vader was van Anke’s kinderen. Toen haar zoontje in 1838 geboren werd, woonde Jacobus nog niet eens in Leeuwarden. En tijdens de huwelijksplechtigheid in juli 1848 werd met geen woord gesproken over Anke’s kinderen en Jacobus heeft ze dus ook nooit als de zijne erkend.

Jacobus en Anke woonden na hun huwelijk in de Blokhuissteeg, in het huis genummerd 215. In 1618 vond het Stadsbestuur dat sommige achterbuurten, welke tot dusverre niet- of, met steengruis, gebrekkig bestraat waren, met stenen moesten geplaveid worden. Eén van die achterbuurten was de Blokhuissteeg. Ruim tweehonderd jaar later, toen Jacobus en Anke er gingen wonen, was het nog steeds een achterbuurt. Om de hoek, op het Blokhuisplein, was het Stadsziekenhuis. En uiteraard keken ze bijna uit op de Blokhuispoort-gevangenis. Anke’s zoon Martinus en haar dochter Feikje woonden bij hen, net als Anke’s moeder. Op dit adres werd Jacobus’ zoontje Klaas in 1852 geboren. In augustus 1855 kwamen weduwnaar Paulus de Bruijn (mandenmaker) en twee van zijn kinderen ook op dit adres wonen, tezamen met Anna Sophia van der Meulen. Anna en de familie de Bruijn kenden elkaar hoogstwaarschijnlijk niet en het was het toeval dat hen op dit adres samenbracht.

De vijftiger jaren van de 19e eeuw waren rampzalig voor Jacobus, maar met name voor zijn vrouw Anke. Het begon in mei 1850, toen Anke’s moeder in hun woninkje in de Blokhuissteeg overleed. Het was Jacobus, schoonzoon van de overledene die aangifte van overlijden deed. In maart 1856 overleed Anke’s zoon Martinus op 17-jarige leeftijd. Ook hij overleed in de Blokhuissteeg en ook nu deed Jacobus, stiefvader van den overledene aangifte van overlijden. En toen zijn zoontje Klaas drie weken later overleed, was hij het wederom die de aangifte verzorgde. Zeven maanden later, in november 1856, overleed zijn moeder te Ureterp. En vijf maanden later, op woensdag 8 april 1857, des namiddags te drie ure overleed hijzelf in het huisje in de Blokhuissteeg te Leeuwarden. Jacobus Melles Bron werd slechts 48 jaar oud.

Anke trouwde elf maanden later met Paulus Willems de Bruyn, de mandenmaker die in 1855 bij hen was komen wonen. Na hun huwelijk verhuisden ze naar het huis genummerd A217 te Leeuwarden (wijk onbekend). Maar het noodlot leek haar te achtervolgen, want in februari 1860 overleed ook haar derde echtgenoot. In precies tien jaar tijd was ze haar moeder, twee zoons, haar schoonmoeder en twee echtgenoten verloren. En zo bleef ze achter met haar dochter en twee zoons van haar overleden man: Antonius (19 jaar, sigarenmaker) en Frederik (15 jaar, pottenbakker). Anke was werkster van beroep en schrobde en boende ergens in Leeuwarden om wat centen bij elkaar te schrapen. Ze zou nooit meer hertrouwen. Hoe arm het gezin was, blijkt wel uit het feit dat stiefzoon Frederik in 1868 werd opgepakt en veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf in de Blokhuispoort wegens bedelarij. In 1870 vertrok hij, waarschijnlijk niet vrijwillig, naar Veenhuizen (hij zat op 31 december 1879 in de Cellulaire Gevangenis te Utrecht). Stiefzoon Antonius woonde tot aan zijn dood (in 1875) bij Anke in, net als haar dochter Feikje, die in 1886 overleed. Anke verhuisde in die jaren onder andere naar de Tuinen en de Kolksteeg te Leeuwarden.

Maar haar gezondheid ging achteruit en aan het einde van de jaren tachtig werd zij verpleegd in het St. Elisabethsgesticht te Leeuwarden. Het gesticht was gebouwd op het voormalig en oude Nijehoofsterkerkhof. Later werd het kerkhof geruimd en kwam er een armenhuis. De naam Nijehoofsterkerkhof was toen allang vervangen door Jakobijnenkerkhof. In de 19e eeuw werd het armenhuis afgebroken en kwam het St. Elisabethsgesticht ervoor in de plaats. Op maandag 14 april 1890 werd zij overgebracht naar Norg, en werd ze waarschijnlijk opgenomen in het armengesticht van Veenhuizen (gemeente Norg). Toch zou ze uiteindelijk – en waarschijnlijk tegen alle verwachtingen in – weer naar Leeuwarden terugkeren, waar ze op zondag 8 maart 1896, des namiddags ten vier ure overleed. Anke Klazes de Vries werd 84 jaar oud.