Hans Johannes (1900-1971)

Franeker99

Plaats In De Stamboom
Ouders: Johannes Johannes Deelstra (1864-1947) & Jantje Jans Miedema (1865-1950)
Grootouders: Johannes Jans Deelstra (1834-1919) & Feikjen Jans Siesling (1836-1927)
Overgrootouders: Jan Jans Deelstra (1802-1853) & Janke Pieters Vlassinga (1809-1863)
Betovergrootouders: Jan Hendriks Deelstra (1774-1850) & Sijtske Jans van der Meer (1777-1840)

Hans Johannes Deelstra werd op woensdag 31 januari 1900, des voormiddags ten vier ure te Franeker geboren. Hij was het zesde kind van vader Johannes Johannes Deelstra en moeder Jantje Jans Miedema. Zijn zus Botje was elf toen hij geboren werd, Feikje was tien, Antje zeven, zijn broer Johannes was zes en Jan vijf. Na Hans zou zijn zusje Rinsche (1907) nog geboren worden. Het gezin woonde in 1900 in de wijk Tweede Oost (TO), in een huis genummerd 89-B en daar werd Hans dan ook geboren. Zijn vader was stoomboot kapitein op de Prins van Oranje en voer met zijn boot tussen Harlingen, Franeker en Leeuwarden.

Zijn vader zei de stoomboot in 1907 vaarwel en ging in zaken met zijn broer Hans, die in Amsterdam als aardappelhandelaar zijn geld verdiende. Samen richtten zij de Firma J & H Deelstra op (import and export van aardappelen, uien en andere veldvruchten). Het gezin verhuisde in de zomer van 1920 naar “een royale koopmanshuizinge” aan de Zuiderkade 16 te Franeker. Het was maar voor korte duur, want anderhalf jaar later verhuisden ze (letterlijk) naar de overkant, naar de Prins Hendrikkade 6.

Franeker Amsterdam

Hans ondertussen ging naar de Lagere School en vervolgens naar de ULO op de Zuiderkade te Franeker. In de 1920 werd de term MULO afgeschaft en vervangen door ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs), maar de term MULO bleef populair en veel scholen bleven die naam aanhouden. Hij stond bekend als een waaghals die vanaf de kade het water indook en onder de passerende schepen door zwom. Na de ULO ging Hans naar het HBS te Harlingen, waar hij werd opgeleid voor “de Tropen.” Of beter gezegd “voor het Handelshuis in West-Indië”, wat – aldus zijn eigen zeggen – “familiebezit” was. Met West-Indië wordt in dit geval het overzeese gebiedsdelen met o.a. Suriname en de Antillen bedoeld (“De West”), en niet de Oost-Indische gebiedsdelen (“De Oost”). Deze spraakverwarring is ontstaan door Columbus. Toen hij het werelddeel Amerika ontdekte, was hij er heilig van overtuigd dat hij een andere route naar Indië had ontdekt. Hij noemde de bevolking dan ook Indios, ofwel Indianen. Pas jaren later zou men ontdekken dat hij het bij het verkeerde eind had, maar de namen West- en Oost Indië bleven hangen. Op dit moment is nog niet bekend waar de handelspost van de familie Deelstra zich bevond en hoelang deze heeft bestaan. Na het afronden van zijn studie aan de HBS, werkte Hans ruim 10 jaar bij zijn vader in het bedrijf en leerde er de kneepjes van het vak.

Scholen

Hij was zestien jaar oud, toen hij op woensdag 25 oktober 1916 voor de eerste maal in aanraking kwam met de lange arm der wet. Hij moest voor de rechter verschijnen wegens baldadigheid en werd veroordeeld tot 20 gulden boete of 1 maand tuchtschool. Vele jaren later zou hij zich andermaal voor de rechtbank moeten verantwoorden, ditmaal voor een ernstiger vergrijp.

Veroordeling Jeugd

Hans was 23 jaar oud, toen hij op donderdag 24 mei 1923 te Franeker in het huwelijk trad met de 21-jarige Tietje Joukes Houtsma. Het was een prachtig zonnige dag, hoewel de temperatuur niet boven de 15 °C uitkwam. Tietje was op donderdag 12 december 1901, des voormiddags te zeven uur te Sexbierum geboren en was het vijfde kind van vader Jouke Thomas Houtsma en moeder Trijntje Klases Jager. Na Tietje zouden er nog een broertje (1908) en een zusje (1910) geboren worden. Vader Jouke was oorspronkelijk schoenmaker van beroep, maar een paar jaar na Tietje’s geboorte werd hij rijwielhandelaar annex rijwielhersteller. Eerst in Sexbierum, maar de zaak aldaar werd in 1908 failliet verklaard. Het gezin verhuisde naar de Dijkstraat 4 te Franeker waar Jouke opnieuw een rijwielzaak opende. In 1916 verhuisde het gezin naar de Dijkstraat 58 en in 1922 tenslotte naar het Leeuwarderend 20 te Franeker. Tietje woonde nog bij haar ouders op het Leeuwarderend toen ze in 1923 met Hans in het huwelijk trad. De ouders van Hans en Tietje waren bij het huwelijk aanwezig. Hieronder de handtekeningen van Hans, Tietje en hun ouders. Als getuigen traden op:

  • Hendrik Sjollema, 31 jaar, rijwielhandelaar, woonachtig te Franeker, zwager van de bruid
  • Johannes Deelstra, 31 jaar, stoombootkapitein, woonachtig te Leeuwarden, broeder van den bruidegom

handtekeningen

Hans en Tietje zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Johannes, 13 april 1924 te Franeker – 23 oktober 1943 te Blendecques, Frankrijk (19 jaar)
  2. Trijntje Jantje, 3 maart 1926 te Franeker – 2013
  3. Johanna Marijke Antonia, 26 juli 1944 te Hilversum –

In 1923 was Hans koopman van beroep en samen met zijn vrouw Tietje woonde hij bij zijn ouders op de Prins Hendrikkade te Franeker. Op maandag 17 december 1923 kocht hij “een schuur met erf, liggende aan de Prins Hendrikkade te Franeker” voor “twee duizend zes honderd gulden,” wat nu neer zou komen op € 19.130. De verkoper was zijn vader, die de schuur in 1917 had gekocht. Vader en zoon ondertekenden de koopakte, waarbij Hans de schuur per “heden zal aanvaarden, in den staat en toestand waarin het zich bevindt, voor de grootte die het werkelijk heeft en met lusten en lasten, als van ouds.”

22 mei 1927 – Hans staand in het midden, achter zijn oudersfamilie-deelstra

Op maandag 9 mei 1927 verhuisde Hans met zijn gezin naar Hilversum. Tietje’s ouders verhuisden ook naar Hilversum, maar het is niet duidelijk of beide verhuizingen met elkaar in verband stonden. Nu waren Hans en Tietje niet de eerste Friezen die naar Hilversum verhuisden, velen waren hen voorgegaan. En zelfs nu kent Hilversum nog altijd een Friese Vereniging onder de naam Frysk. Dus wellicht woonden er al vrienden of (verre) familieleden in Hilversum, waardoor de verhuizing naar Noord Holland minder avontuurlijk was dan wij nu denken. Toch, hij verliet Franeker, ging bij zijn vader uit de zaak en ging niet naar West-Indië, zoals oorspronkelijk het plan was. Ze vestigden zich op de Frans Halslaan 51 te Hilversum, waar Hans handelaar in aardappelen en groenten werd. Net als zijn vader in Franeker en zijn oom in Amsterdam. Het jaar erop verhuisde het gezin naar de Heerenstraat 63 te Hilversum.

Op donderdag 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag) tuimelden de aandelen op Wall Street in een vrije val naar beneden. Wat volgde was een wereldcrisis die ook Nederland hard zou treffen. Halverwege de jaren dertig waren bijna een half miljoen Nederlanders werkloos (30% van de beroepsbevolking). Lonen en uitkeringen gingen omlaag waardoor veel mensen de huur niet meer konden betalen. Velen werden hun huis uit gezet en tienduizenden waren aangewezen op gaarkeukens. Ook de boeren kwamen in de problemen, want bijvoorbeeld melk en eieren waren niets meer waard. Met als gevolg dat ook boerenknechten hun baan verloren, omdat de boer geen loon meer kon betalen. In Franeker en Amsterdam wisten zijn vader en oom het hoofd boven water te houden, maar Hans had het moeilijker. Hij had de zaak vier jaar draaiende weten te houden, maar in 1931 was hij genoodzaakt deze op te geven. Hij zag geen brood meer in aardappelen en groenten en werd in september 1931 matrassenmaker van beroep. Het magazijn was gevestigd op de Hilvertsweg 95 te Hilversum en in 1933 ging het gezin er ook wonen. Hans deed meer dan alleen matrassen maken, want op zijn briefhoofd stond: Meubelen – Bedden – Matrassen – Stoffeerderij – Reparatie – Inrichting.

1931-opening

Het handelen in aardappelen mocht dan niet meer rendabel zijn, ook de handel in meubelen en bedden bood geen garanties. Dat bleek wel in februari 1933, toen Hans failliet verklaard werd. In 1935 woonde hij met zijn gezin op de Ruitersweg 109 te Hilversum, maar ook dat was weer van korte duur. Want twee jaar later, in 1937, verhuisden ze naar de J.H.B. Koekkoekstraat 37. Ook dat beviel blijkbaar niet, want in 1938 woonden ze op de Bussumerstraat 41, waar Hans nog altijd – ook na het faillissement – als matrassenmaker zijn geld verdiende.

Faollissementcrediteurenlijst

Op woensdag 8 maart 1933 werd Hans lid van de NSB (Nationaal Socialistische Beweging). In 1933 was de NSB nog niet gelieerd aan Adolf Hitler of het Nazisme en was de partij ook nog niet antisemitisch. Zo werden ook Joodse burgers lid van de NSB. In januari 1933 telde de NSB slechts 900 leden, in januari 1934 21.000, in januari 1935 33.000 en in januari 1936 was de partij uitgegroeid tot 52.000 leden. In 1935 behaalde de NSB zelfs 7,94% van de stemmen bij de Statenverkiezingen. Tussen 1935 en 1940 begon het ledenaantal af te nemen, omdat de NSB zich in 1935 achter Adolf Hitler schaarde en radicaliseerde. Veel leden hielden het voor gezien, maar Hans bleef lid. Later zou hij verklaren: “ik meende dat die Beweging iets goeds kon brengen voor ons vaderland.” landdag-van-de-nsb

Ondertussen was zijn vrouw Tietje lid van het zangkoor Fryslân in Hilversum, een gemengd koor dat onderdeel uitmaakte van de Friesche Vereeniging It Heitelân. Op de jaarvergadering in 1936 hield “mevrouw Deelstra-Houtsma” een “aardige” zangvoordracht – “kreas yn winterklean” (dus: netjes gekleed in winterkleding) – met de titel “Op it Iis” (Op het ijs).

De crisis in Nederland was nog altijd niet voorbij en in 1938 was Hans genoodzaakt de matrassen handel op te geven. In mei 1938 vond hij een baan bij de Firma Hummelen te Bussum (binnenhuisarchitecten). Hij zou er bijna twee jaar werkzaam zijn.

En toen vielen de Duitsers in mei 1940 ons land binnen. Alles veranderde. Zo groeide de NSB binnen het jaar naar ruim 90.000 leden. Ze werden alom gehaat in Nederland, zeker toen de beruchte WA (Weerbaarheidsafdeling) nieuw leven ingeblazen werd. De WA was oorspronkelijk in 1932 opgericht en had tot doel haar leider (Anton Mussert) te beschermen. In praktijk echter koos de WA voor de aanval en op talloze plaatsen en bijeenkomsten braken hevige gevechten uit tussen WA-leden en haar tegenstanders. De regering zag zich zelfs gedwongen in te grijpen en op 31 december 1935 werd de WA opgeheven. Maar toen kwam de oorlog en – vanuit NSB oogpunt gezien – de overwinning, en werd de WA opnieuw actief. Gekleed in hun zwarte uniformen pakten ze de draad direct weer op. Net als in de jaren dertig werd er hevig gevochten, soms zelfs met dodelijke afloop. De WA had het vooral voorzien op Joodse burgers. De situatie werd zelfs zo grimmig dat de Amsterdamse bevolking in opstand kwam (Februaristaking – 25 en 26 februari 1941).

Vlak na de Duitse inval in mei 1940 verloor Hans zijn baan en werd werkloos. Naar eigen zeggen was er veel spanning tussen hem en zijn collega’s, zeker toen duidelijk werd dat hij NSB-er was en daar openlijk voor uitkwam. Hij wilde vrijuit kunnen praten over zijn sympathieën en dat werd hem niet in dank afgenomen. De situatie werd onwerkbaar en Hans moest vertrekken. Hij meldde zich aan bij de MOTWA, de gemotoriseerde afdeling van WA. Daarnaast meldde hij zich als vrijwilliger op het vliegveld Loosdrecht, waar hij als kantoorbediende voor de Wehrmacht werkzaamheden verrichtte.

lidmaatschapskaart-nsb

Op zondag 27 april 1941 kreeg hij via de Arbeidsbeurs een baan aangeboden bij de Firma Brusse & Teeuw in Den Haag. Brusse & Teeuw was een aannemersbedrijf dat goede zaken deed met de Duitse bezetter. Zo waren zij verbonden aan de NSKK (Nationalsozialistische Kraftfahrkorps) Transportgruppe Todt. Dit Duitse bouwbedrijf was onder meer verantwoordelijk voor de bouw van de gigantische verdedigingswerken in West Europa (de Westwall). Hans kreeg de rang van Rottenführer, (ietsje hoger dan soldaat) en reed op de vrachtwagens van Brusse & Teeuw onder andere naar België, Frankrijk, Duitsland (Berlijn, Dresden, Kiel) en Polen (Warschau). Later zou hij als verbindingsofficier voor de organisatie Todt in Holland en Duitsland werkzaam zijn.

Op woensdag 28 mei 1941 schreef hij aan zijn vrouw: “ben chauffeur geworden van de hoogste chef, Staffelführer (majoor) Schönfeld” Hij voegde eraan toe dat ze een lange reis zouden maken naar het Oostfront. Amper een maand later (op 22 juni 1941) zou Nazi-Duitsland Rusland binnenvallen. Een paar dagen na de inval raakte Hans betrokken bij een auto-ongeluk en belandde in een veldhospitaal (lazaret) in de buurt van Warschau. In een brief aan zijn vrouw, gedateerd zondag 6 juli 1941, schreef hij dat hij zich goed voelde en dat hij verwachtte binnenkort weer naar huis te kunnen. Hij was te optimistisch, want alles bij elkaar zou hij acht weken worden verpleegd. Hij had problemen met zijn maag en darmen en de dokters vreesden voor een vergiftiging. Dat was niet zo vergezocht, want in diezelfde brief schreef hij dat al het drinkwater voor de Duitse soldaten vanuit Duitsland werd aangevoerd, omdat het opperbevel het Poolse drinkwater niet vertrouwde. Uiteindelijk werd hij uit het veldhospitaal ontslagen en kon hij naar huis terugkeren. Hij werd niet meer ingezet als chauffeur.

Op zaterdag 11 juli 1942 werd hij gekeurd voor de functie van wachtmeester bij de Hulppolitie. Dankzij deze keuring is er een summiere omschrijving van hem bewaard gebleven:

  • Lichaamslengte: 1.76½
  • Gewicht: 77 kilo
  • Kleurenzin: goed
  • Borstomvang in-ademing 95 cm
  • Borstomvang uit-ademing 88 cm

Hans droeg het zwarte WA uniform, verspreide pamfletten en affiches van Anton Mussert, stak de vlag uit op de verjaardag van Hitler, droeg het NSB insigne, liep mee in WA marsen, bezocht NSB bijeenkomsten en had een portret van Adolf Hitler in zijn woonkamer hangen. Dit was wel degelijk een man die partij had gekozen. Toen de plaatselijke kerkgemeente zijn kinderen uitnodigde om zich bij de kerk aan te sluiten, reageerde Hans getergd. In een brief liet hij weten dat hij er alles aan zou doen om zijn kinderen uit “de klauwen van de kerk” te houden. Hij gaf hen het advies met de tijd mee te gaan en zich achter de nieuwe leiders van het land te scharen.

Maar er was ook een andere kant aan Hans. Dat bleek nadat ze op zaterdag 8 augustus 1942 naar de Bosdrift 16 te Hilversum waren verhuisd. In 1943 namen de Duitsers alle radiotoestellen in beslag en was het niet langer toegestaan een radio in bezit te hebben. Een buurman op de Bosdrift vroeg Hans of hij zijn radio bij hem in huis mocht verstoppen, omdat hij bang was dat het toestel anders “in handen van de moffen zou vallen.” Hans ging akkoord. Deze buurman beschouwde hem dus niet als een fanatieke landverrader. Sterker nog: hij vroeg hem iets illegaals te doen. Anderen deden een beroep op Hans omdat hun zoon was opgepakt om in Duitsland te werken. Hans deed onvermoeibaar zijn best deze jongens vrij te krijgen en met hun ouders te verenigen. Hetgeen vaak lukte. Velen zouden later verklaren dat Hans een vriendelijke en behulpzame man was en dat ze zich niet hadden gestoord aan het feit dat hij als WA-man door de straten paradeerde. Een man dus met twee gezichten. Aan de ene kant was hij de opportunist die lange tijd zijn hoop vestigde op de NSB en de Nazi-partij, aan de andere kant was de vriendelijke man die graag bereid was anderen te helpen. Later zou hij zeggen: “Toen ik er eenmaal lid van was [van de NSB], ben ik lid gebleven, ofschoon ik tenslotte begon in te zien dat die Beweging stond aan den kant van den vijand.”

wa

Toch, het belette hem niet om lezingen te geven op WA vormingsavonden in Hilversum en Laren. Deze avonden waren bedoeld om nieuwe WA leden te scholen en vormen. De eerste keer dat Hans een dergelijke avond voorzat, was hem een opkomst van zestig tot zeventig man beloofd. Er kwamen er echter slechts acht. Hans was woedend en reclameerde bij zijn meerderen. Bij de tweede bijeenkomst was de opkomst stukken groter. Toch zou hij eind 1942 het lidmaatschap bij de WA opzeggen. Hij schreef op woensdag 16 december 1942: “De laatste maanden plaagden me veel, wat ik niet recht kan zetten. Wat dit was, is beter dat ik dit met mezelf en de betrokken uitvecht.”

In oktober 1943 werd het gezin zwaar getroffen door het overlijden van hun oudste zoon Johannes. Johannes was lid van de NSKK en kwam bij een bombardement om het leven. Hij werd slechts 19 jaar oud. Een paar maanden na zijn overlijden ontvingen Hans en zijn vrouw het uniform dat hun zoon op zijn laatste dag had gedragen. In het pakket zat ook een ingelijste foto van hun zoon. Acht maanden later werd hun dochtertje Johanna Marijke Antonia geboren. In een brief aan zijn vrouw schreef hij dat dat ze hun dochtertje een “gedegen Friese opvoeding” zouden geven.

Ergens tussen eind 1943 en begin 1944 nam hij afscheid als wachtmeester bij de Hulppolitie en was hij medio 1944 werkzaam in Hotel De Drie Gekroonde Baarzen te Bergum. Wat hij daar precies deed, is onduidelijk. Zijn vrouw en kinderen waren in ieder geval niet bij hem. Rond oktober 1944 werd hij overgeplaatst naar een Duitse kazerne bij Meckelfeld (vlakbij Hamburg), op de Immenhof 190. Hans schreef: “De stad waar we wonen heeft 25.000 inwoners en is 9 kilometer lang. Het is eigenlijk een oerlange straat met een paar korte zijstraatjes. Onze kamer kijkt uit op de bergen en ’s morgens is het erg mooi. We liggen met zijn tienen op een kamer.” Zijn vrouw Tietje (of Tine, zoals ze genoemd werd) was in eerste instantie bij hem, maar zij keerde in november 1944 naar huis terug. Dat was een gevaarlijke onderneming want de Geallieerden rukten op in het Westen, de Russen in het Oosten. Overal werd zwaar gevochten en Duitsland verkeerde in een chaos. In de brieven aan zijn familie is duidelijk te lezen hoe bezorgd Hans was over de terugreis van zijn vrouw. Ook klaagde hij over het uitblijven van post. Brief na brief bleef onbeantwoord. Hij schreef: “Als de anderen dan wel post ontvangen, dan schiet mij het gemoed soms vol.”

3-gekroonde-baarzen

Op dinsdag 17 april 1945 (dus een paar weken voor de bevrijding) meldde Hans zich vrijwillig op het politiebureau te Leeuwarden (en dus niet in Hilversum). Dat moet een onwerkelijk moment zijn geweest, want het noorden van Nederland was nog steeds bezet en het politieapparaat was nog steeds in Duitse handen. Het is dan ook niet duidelijk of hij geïnterneerd- of naar huis gestuurd werd. Feit is wel dat hij op woensdag 30 mei 1945 opgesloten zat in het Stedelijk Gymnasium – kamer 14 – aan de Noorderweg te Leeuwarden. Hij werd uiteindelijk op donderdag 17 oktober 1945 officieel gearresteerd door rijksveldwachter Bauke Smid, die hem overbracht naar het interneringskamp De Roskam te Weesp. Vlak na de bevrijding waren de omstandigheden in de interneringskampen mensonterend. Gevangenen werden getreiterd en tot bloedens toe geslagen en bewakers stortten de inhoud van hun latrinetonnen over hen heen. In de avonduren, als de bewakers (van kamp Vught) voldoende hadden gedronken, werden de gevangenen uit hun cel gehaald om als “circuspaard” in een kring van bewakers rond te lopen, terwijl zij met stokken en gummiknuppels werden afgeranseld. Minister van Justitie Van Heuven Goedhart was geschokt wat hij in de kampen aantrof en de journalist Groen vergeleek de kampen met de Nazi concentratiekampen en de Goelag kampen in Rusland.

roskam-en-crailo

Op woensdag 13 februari 1946 werd Hans overgeplaatst naar het bewaringskamp Crailoo te Laren, waar hij het gevangenisnummer 489 droeg. In juli 1946 werd hij veroordeeld tot “4 dagen strafexercitie wegens verzuim van baden.”  Hij werkte er als kantoorbediende (code CW II) en in februari 1947 werd er een rapport over hem opgesteld:

  • Gedrag in het werk: middelmatig
  • Gedrag algemeen: goed
  • Plichtsbetrachting: goed
  • Vlijt: goed
  • Vakbekwaamheid: goed
  • Psychische Gesteldheid: goed

De oorlog was voorbij, maar de problemen niet. Europa lag volledig in puin. In Nederland waren bruggen, wegen en spoorwegen vernield. Ook waren huizen, fabrieken en gebouwen vernietigd of beschadigd. Alles was op de bon en overal was schaarste. Daarnaast was er het probleem van het zwarte geld. Tijdens de oorlog hadden zwarthandelaren goed geld verdient en de regering wilde daar tegen optreden. Op woensdag 26 september 1945 werd al het Nederlandse papiergeld in één klap ongeldig verklaard. In plaats daarvan kregen alle Nederlanders op die septemberdag een gloednieuwe tientje (het tientje van Lieftinck).
Ondertussen werd de situatie voor Tietje en de kinderen in Hilversum steeds moeilijker. Ze vertrok dan ook uit Hilversum en werd liefdevol opgevangen door haar schoonzuster en zwager. Hans was nog geïnterneerd en de hele huisraad was in beslag genomen. Alleen een kinderledikant, een naaimachine en de kleding werden in het najaar van 1945 aan haar terug gegeven. De rest werd in beslag genomen en niet meer teruggeven:

  • 2 opklapbedden
  • 7 stoelen
  • een divan
  • 2 vazen
  • een schemerlampje
  • 4 pits gasfornuis
  • 1 kachel
  • een stofzuiger
  • een dressoir
  • serviesgoed
  • een theekast
  • een wastafel
  • een commode
  • enz enz enz

Toch was het vertrek uit Hilversum van korte duur, want op maandag 19 november 1945 trok zij bij haar vader in op de Havenstraat 109 te Hilversum. Haar moeder was reeds in 1933 overleden en wellicht was haar vader ziek, want hij overleed amper een week later, op donderdag 27 november 1945. Tietje verhuisde op de donkere en koude vrijdag, de 4e januari 1946, naar de Hugo de Grootstraat 44 te Hilversum. Vlak voordat Hans voor het Tribunaal moest verschijnen deed ze verschillende pogingen om haar man vervroegd vrij te krijgen. De ontroerende brieven die zij schreef zijn bewaard gebleven. Zij hoopte dat haar man bij op donderdag 22 mei 1947 bij het 60-jarig huwelijk van zijn ouders aanwezig kon zijn. Hans zijn vader, zo schreef ze, was ernstig ziek en de oude man hoopte dat ze nog eenmaal met het voltallige gezin bij elkaar konden zijn. Hans zelf, voegde ze er aan toe, had een maagzweer. Ondanks haar smeekbeden kwam de toestemming er niet.

Op dinsdag 3 juni 1947 moest Hans voor het Tribunaal in het Arrondissement Amsterdam te Hilversum verschijnen. Hij verklaarde zich op alle punten schuldig en zei: “Nu zie ik hoezeer ik heb gedwaald en hoe on-Nederlands en onwaardig ik mij in de bezettingstijd heb gedragen.” De rechter verklaarde in zijn slotwoord: “Het Tribunaal heeft een man voor zich gezien, die op de zitting indruk heeft gemaakt van diep berouw te hebben over datgene wat hij misdreven heeft.” Hans werd een gevangenisstraf opgelegd van “2¼ jaren tot 17 juli 1947.” Ook werd hem het kiesrecht ontzegd.gooisch-tribunaal-1947

Hans had in totaal 26 maanden in gevangenisschap doorgebracht, toen hij op die donderdag de 17e juli 1947 naar Hilversum terugkeerde. Hij kon nog afscheid nemen van zijn vader, die op zaterdag 13 september 1947 overleed. De thuiskomst moet onwerkelijk zijn geweest. Zijn zoon lag begraven in Frankrijk en zijn jongste dochtertje had hij nog nauwelijks gezien. Hans dacht zijn straf uitgezeten te hebben en de draad weer op te kunnen pakken. Voor het Tribunaal had hij zelfs verklaard dat hij ooit als timmerman werkzaam was geweest (waar en wanneer is niet duidelijk) en dat hij graag mee wilde werken aan de wederopbouw van Nederland. Het idee dat niemand in Nederland op landverraders zat te wachten, kwam blijkbaar niet bij hem op. Na zijn vrijlating uit het interneringskamp werd hij met de nek aangekeken. Hij vond uiteindelijk werk als behanger, maar de schaduwen van de oorlog zouden zijn leven voorgoed veranderen. De huisraad, die in 1945 in beslag was genomen, werd niet teruggeven. Pas in juli 1953 zouden Hans en zijn vrouw een compensatie van 126 gulden en 78 cent (huidige waarde € 453) ontvangen voor het meubilair. De familie keerde zich zoveel mogelijk van hem af en ook zijn huwelijk kwam onder zware druk te staan. Tietje verweet hem de malaise die hij over het gezin had gebracht en ze bracht steeds meer tijd bij haar familie door. Hans kon zijn draai niet meer vinden en werd een verbitterd man. De oorlog was voorbij, maar de schuld en het verdriet zou hij de rest van zijn leven met zich meedragen.

Hans overleed op woensdag 4 augustus 1971 te Hilversum. Hij werd gecremeerd en werd 71 jaar oud. Zijn vrouw Tietje bleef op de Hugo de Grootstraat wonen. Ook zij overleed in de maand augustus, en wel op zaterdag 9 augustus 1980. Tietje Joukes Houtsma werd 78 jaar oud.