Botje Johannes (1888-1908)

Plaats In De Stamboom
Ouders: Johannes Johannes Deelstra (1864-1947) & Jantje Jans Miedema (1865-1950)
Grootouders: Johannes Jans Deelstra (1834-1919) & Feikjen Jans Siesling (1836-1927)
Overgrootouders: Jan Jans Deelstra (1802-1853) & Janke Pieters Vlassinga (1809-1863)
Betovergrootouders: Jan Hendriks Deelstra (1774-1850) & Sijtske Jans van der Meer (1777-1840)

Botje Johannes Deelstra werd op donderdag 26 juli 1888, des avonds ten negen ure geboren in het huis genummerd 10 in de wijk West-Vliet te Franeker. Zij was het eerste kindje van de 23-jarige Johannes Johannes Deelstra en zijne 22-jarige huisvrouw Jantje Jans Miedema. Vader Johannes werkte in juli 1888 als machinist aan boord van een schip. Niet lang daarna werd hij schipper en aan het einde van de 19e eeuw werd hij één van de twee stoomboot-kapiteins op de Prins van Oranje (varende tussen Harlingen–Franeker–Leeuwarden). Daarna richtte hij samen met zijn broer Hans de Firma J & H Deelstra op en werd hij handelaar in aardappelen, uien en alle andere veldvruchten. Botje’s ouders verhuisden met enige regelmaat: rond 1890 naar het huis genummerd 80 in de wijk Oost-Vliet, in juli 1891 naar Oost-Vliet 61 en in augustus 1895 naar Oost-Vliet 74. Drie jaar later, in juli 1898, woonden ze in de wijk Tweede Oost, in een huis genummerd 89-B en in augustus 1903 op Tweede-Oost 89.

De wereld veranderde snel in Botje’s jonge leven. De stoomtram kwam er bijvoorbeeld, en zo konden Franekers met de tram richting Leeuwarden, Arum of Tzummarum reizen. De tram deed er een uur over om van Franeker naar Leeuwarden (een afstand van twintig kilometer) te rijden. Ook werd in het jaar 1900 de leerplichtwet aangenomen, met 50 stemmen vóór en 49 stemmen tegen. Het hing dus aan een zijden draadje en er was een klein wondertje voor nodig om de wet aangenomen te krijgen. En dat wonder heette het paard van Schimmelpenninck. De heer Schimmelpenninck was een uitgesproken tegenstander van de wet en zou absoluut tegen hebben gestemd. Maar onderweg naar Franeker viel hij van zijn paard en was daardoor te laat voor de stemming. Waardoor de wet toch werd aangenomen. En uiteraard maakte Botje ook de komst van de automobiel mee. In de zomer van 1901 toerde de Nederlandsche Automobielenclub door Nederland en op donderdag 21 juni, om zes uur in de ochtend, hadden zich 52 deelnemers verzameld aan de start in Leeuwarden. Het eindpunt van deze etappe was Utrecht. In totaal 31 automobielen haalden die dag de finish en bij Katerveer (aan de IJssel) werden de deelnemers met de pont overgezet. Een ooggetuige schreef: Wat zagen die wagens, wat zagen die menschen eruit! Als je er nooit van gehoord had, zou je zeggen: een spookverschijning; een behekste wagen op hol; geen paard er voor, maar twee groote gloeiende oogen, die den weg zoeken, drie booze geesten er in, de gezichten achter zwarte maskers en groote glazen verborgen. Zoo zag je den wagen, en zoo was hij al weer uit het gezicht. En je zaagt hem niet meer, toch hoorde je ‘m nog. Tuf-tuf-tuf-tuf…..wel tien minuten ver. Twee jaar later vloog de eerste mens met een vliegmachine door de lucht.

De contouren van de moderne tijd waren dan misschien al vaag zichtbaar, maar aan de andere kant leefde en geloofde men nog volgens de normen, waarden en overtuiging van de vorige eeuw. Zelfs in de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw kon een relatie tussen een katholiek meisje en een protestante jongen nog op de nodige weerstand rekenen. Vraag is of dat in de 21e eeuw echt zoveel makkelijker en vrijer is geworden. Aan het begin van de 20e eeuw was een dergelijke relatie in ieder geval onbespreekbaar. Maar liefde kende geen grenzen, ook toen niet, en ze kende geen beperkingen. Botje en haar ouders waren Christelijk Gereformeerd, haar geliefde (waarschijnlijk uit Sexbierum) was dat niet. Wie Botje’s vriend was, hoe ze elkaar hebben ontmoet en wanneer hun relatie is begonnen, weten we niet. Wel weten we dat er geen toestemming kwam voor het huwelijk. Hoeveel woorden zullen hierover gesproken zijn? Eerst wellicht nog in enige redelijkheid, maar grimmiger en harder naarmate de standpunten zich verhardden. Wellicht ook werd er geen enkel woord aan vuil gemaakt en was vaders wil wet. Eert uw vader en uw moeder, had Botje van jongs af aan geleerd. Maar toch….in het voorjaar van 1908 voelde alles anders. Hoeveel tranen zullen er gevloeid zijn, hoeveel wanhoop zal er zijn gevoeld….

En dan is er de geheimzinnige ansichtkaart, die al ruim honderd jaar in het bezit van de familie Deelstra is, en waarvan wordt gezegd dat hij uit de nalatenschap van Botje komt. De kaart werd geschreven door uw vriend A, dus het is mogelijk dat deze kaart afkomstig was van Botje’s vriend. Het feit dat de schrijver van de kaart blijkbaar om de week post ontving en niet thuis woonde toen de kaart geschreven werd, zou wellicht kunnen betekenen dat hij in militaire dienst zat. Aan de andere kant kwam deze kaart uit Franeker. Sterker nog: de twee achterste gebouwen die links op de kaart zichtbaar zijn, waren in bezit van Botje’s vader. Dus hoe we deze kaart moeten interpreteren en wie hem geschreven heeft, zullen we wellicht wel nooit met zekerheid kunnen vastellen. De volledige tekst op de kaart luidt:

Daar ‘k nog geen bericht van u heb, en niet eerder ontvang dan in de volgende week, daarom zal ik ook maar wachten tot zondag een week, want ik ga morgen naar huis. Alles is hier wel. Gegroet uw vriend A.

In de avond van dinsdag de 9e juni 1908 keerde Botje niet naar huis terug. Niemand wist waar ze was. Het was bijna de langste dag, dus lang licht buiten, en het was rustig weer, dus wat kon de reden zijn dat ze zo lang wegbleef? Eerst was er wellicht boosheid en onbegrip bij haar ouders, want zo hadden ze dat kind toch niet opgevoed? Maar naarmate de avond vorderende werd de ongerustheid voelbaar in huis. Vader Johannes zal waarschijnlijk keer op keer Franeker doorgelopen zijn, zoekend naar zijn dochter. Misschien was hij wel op en neer Sexbierum gegaan om te kijken of ze daar misschien was. Maar Botje was en bleef onvindbaar en uiteindelijk klopte hij aan bij de veldwachter. Maar het was al laat en niemand kon meer iets doen. Misschien zou ze zo thuiskomen en zou alles duidelijk worden. En anders zouden ze morgen bij daglicht verder zoeken. Wat volgde was een slapeloze nacht, waarbij Botje’s ouders bij elk geluidje van buitenaf rechtop in bed zaten. De volgende morgen werd de zoektocht hervat en uiteindelijk werd haar levenloze lichaam gevonden in een sloot te Franeker. Ze had geen uitweg meer gezien en wilde niet verder leven zonder haar geliefde; ze was het water ingelopen en verdronken. Het waren de 72-jarige kleermaker Geert Piebenga en de 70-jarige zadelmaker Johan Christiaan Baumfalk die haar overlijden bij de Burgerlijke Stand lieten registreren. De overlijdensakte was – zoals altijd – zakelijk en afstandelijk en repte met geen woord over het drama achter de schermen. Volgens de akte stierf Botje op woensdag de 10e juni 1908, des voormiddags ten tien ure. Maar het ligt meer voor de hand dat zij reeds op dinsdagvond, of in de vroege uren van de woensdagnacht een einde aan haar jonge leven maakte. Botje Johannes Deelstra werd slechts 19 jaar oud en werd bijgezet in het graf van haar opa en oma.