Johannes Johannes (1864-1947)

Vliet Franeker

Plaats In De Stamboom
Ouders: Johannes Jans Deelstra (1834-1919) & Feikjen Jans Siesling (1836-1927)
Grootouders: Jan Jans Deelstra (1802-1853) & Janke Pieters Vlassinga (1809-1863)
Overgrootouders: Jan Hendriks Deelstra (1774-1850) & Sijtske Jans van der Meer (1777-1840)

Johannes Deelstra werd op zondag 18 december 1864, des morgens ten drie ure te Franeker op het Vliet 121 te Franeker geboren. Hij was het vierde kind van de 30-jarige Johannes Jans Deelstra en de 28-jarige Feikje Jans Sijsling (Siesling). En omdat de vader zelf ook Johannes heette, werd de naam van de pasgeborene dus Johannes Johannes Deelstra. Toen hij ter wereld kwam was zijn zuster Janke vier, zijn zuster Hylkje twee en zijn broer Jan een jaar oud. In 1869, dus toen Johannes vijf jaar was, verhuisde het gezin naar Schilbanken 6 te Franeker. Zoals zo vaak is over zijn jeugd niets bekend. We weten niet waar en hoelang hij naar school ging, of hij misschien uitblonk in een bepaalde sport, en zo ja: welke.

Op zaterdag 8 februari 1884, om 10.30 uur in de ochtend, moest Johannes zich melden voor de militaire keuring. Hij werd vrijgesteld vanwege broederdienst omdat zijn oudere broer Jan inmiddels als soldaat was ingelijfd. Maar dankzij deze Militie formaliteit (want dat was het) is er wel een beschrijving van hem achtergebleven:

  • Lengte: 1 Meter 752 millimeter
  • Aangezigt: ovaal
  • Voorhoofd: hoog
  • Oogen: blaauw
  • Neus: ordinair (= gewoon)
  • Mond: idem
  • Kin: rond
  • Haar: blond
  • Wenkbraauwen: idem
  • Merkbare teekenen: geene

Johannes was 22 jaar oud, toen hij op zondag 22 mei 1887 te Franeker in het huwelijk trad met de 21-jarige Jantje Jans Miedema. Jantje werd op maandag 30 oktober 1865, des morgens ten half acht ure te Hitzum geboren en was het derde en laatste kind van vader Jan Pieters Miedema en moeder Bottje Hendriks Westra. Haar vader zou ze maar heel kort kennen, want hij overleed toen zij bijna acht jaar oud was. Haar moeder hertrouwde niet en moest dus niet alleen voor drie kleine kinderen zorgen, maar moest ook genoeg geld verdienen om haar gezin van het armenhuis te redden. Moeder Bottje was bij het huwelijk van haar dochter aanwezig, net als de ouders van Johannes. Het bruidspaar en de beide moeders ondertekenden de huwelijksakte, maar vader Johannes Jans Deelstra verklaarde niet te kunnen schrijven, zulks niet geleerd hebbende. Als getuigen traden op:

  • Jan Deelstra, 23 jaar, schipper, woonachtig te Franeker, broeder van den bruidegom
  • Anne Draaisma, 24 jaar, scheepstimmerknecht, woonachtig te Franeker, aangehuwden broeder van de bruid
  • Pieter Wassenaar, 24 jaar, schipper, woonachtig te Franeker
  • Roelof Bergsma, 51 jaar, kleermaker, woonachtig te Franeker

Handtekening Joh en Jantje

Johannes en Jantje kregen de volgende kinderen:

  1. Botje, 26 juli 1888 te Franeker – 10 juni 1908 te Franeker (19 jaar)
  2. Feikje, 18 oktober 1889 te Franeker – 25 september 1966 te Heerenveen (76 jaar)
  3. Antje, 2 februari 1892 te Franeker – 19 juni 1980 te Leeuwarden (88 jaar)
  4. Johannes, 2 maart 1893 te Franeker – 23 oktober 1970 te Makkum (77 jaar)
  5. Jan, 28 augustus 1894 te Franeker – 12 december 1961 te Harlingen (67 jaar)
  6. Hans, 31 januari 1900 te Franeker – 4 augustus 1971 te Hilversum (71 jaar)
  7. Rinsche, 18 februari 1907 te Franeker – 17 februari 1994 te Oosterhout (86 jaar)

Johannes woonde op de dag van zijn huwelijk in de wijk West Vliet te Franeker, in het huis genummerd 10. Na zijn trouwen trok zijn vrouw Jantje bij hem in en hier werden hun eerste twee kinderen geboren. Ergens rond 1890 verhuisden ze naar het Oost Vliet, naar het huis genummerd 80. Maar ook dat was maar voor korte tijd, want in juli 1891 betrokken ze het huis genummerd 61 in dezelfde wijk. Ze woonden er in hetzelfde pand waar ooit opa Johannes Jans Deelstra zijn winkeltje had gehad. Maar ook dat was nog niet het eindpunt, want in augustus 1895 betrokken ze het huis genummerd 74 in de wijk Oost Vliet te Franeker.

Toen Johannes zich begin 1884 bij de Nationale Militie meldde, gaf hij machinist als beroep op. In 1889 was dat al veranderd in schipper. In november 1896 huurde hij een stuk weiland, genaamd Sternse Slotland, te Franeker, voor de huursom van 88 gulden per jaar (huidige waarde: € 1.201 per jaar). In januari 1898 verkregen “Johs. en J. Deelstra te Franeker de pacht van den tol der trekschepen, varende tusschen Franeker en Harlingen”. Ergens aan het einde van de 19e eeuw werd hij één van de twee stoomboot-kapiteins op de Prins van Oranje. De stoomboot voer tussen Harlingen – Franeker – Leeuwarden. De huur van zijn stukje bouwgrond liet hij verlopen, in plaats daarvan kocht hij in januari 1901 een perceel weiland voor 525 gulden (ofwel: € 6.602). Hij lijkt er dus op dat hij op twee gedachten bleef hinken: varen (als kapitein zelfs) en/of een stuk landbouwgrond bewerken. In maart 1902 werd dat nog duidelijker, toen hij een winkelhuis met erf, staande en gelegen aan het west te Franeker kocht voor een bedrag van 950 gulden. Omgerekend zou dat nu € 12.068 waard zijn. De verkoper was Jelle Postma, winkelier te Franeker. Het gezin woonde sinds juli 1898 in de wijk Tweede Oost (TO), in een huis genummerd 89-B. In augustus 1903 verhuisden ze binnen dezelfde wijk, naar het huis genummerd 89. Dus alles bij elkaar waren ze inmiddels zes maal verhuisd.

Stoomboot 1900

Met zijn 29 koude-dagen was de winter van 1902-1903 niet uitzonderlijk streng, maar in december 1902 en januari 1903 vroor het stevig. De krant schreef: “zaterdagnamiddag (20 december 1902) is de Prins van Oranje, gevolgd door de sleepboot Excelsior, door het Kanaal een eindweegs den kant uit naar Franeker gestoomd. Hoewel het er vrij goed doorging, keerden ze echter spoedig weder terug. Op sommige plaatsen was het ijs nog bijna een d.M. dik. En d.M. staat in dit geval voor decimeter (10 centimeter). De ijsproblemen zouden nog tot januari aanhouden en pas op dinsdag 27  januari 1903 meldde de krant dat “de stoomboot Prins van Oranje hedenmorgen den dienst” had hervat. Op maandag 16 maart 1903, ’s avonds om zes uur, was Johannes aanwezig bij de veiling van een Franeker-Leeuwarden trekschip. De eigenaren van de boot waren Sjoerd de Vries, trekschipper, en Tjipke Hamersma, melkrijder. Het schip werd geveild voor 90 gulden (huidige waarde € 1.109) en de nieuwe eigenaar was Johannes Deelstra. In 1903 was hij dus kapitein op de Prins van Oranje, bezat hij stuk bouwgrond en een winkelhuis en was hij eigenaar geworden van een trekschuit. Alles leek erop te wijzen dat er een verandering op komst was.

Op dinsdag 4 augustus 1903, om drie uur in de middag, sloeg de stoomboot Voorwaarts in Leeuwarden om. “Vreeselijke kreten gingen op uit de zich op de boot bevindende passagiers. ’t Was een vreeselijk, een angstwekkend tooneel. Een jong meisje, doornat er uit gekomen, stapte op den wal heen en weer; onze vragen kon ze niet beantwoorden: ze was geheel van streek. Ondertusschen was het een gejammer hier en daar, een ontsteltenis elders, die niet was uit te staan. De boot was naar den walkant toe omgeslagen. Ware dit het geval niet geweest, de ramp zou niet te overzien zijn geweest. Met bijlen en breekijzers werden voor en achter in het dek aan de zijde, die boven het water uitstak, gaten geslagen. Welk een angsten zijn er doorstaan, door kinderen om hunne ouders, door ouders om hunne kinderen! In welken radeloozen toestand bevond zich ook de gezagvoerder, die de aan zijn zorg toevertrouwde menschen aan doodsangst ten prooi wist […] en voorzag dat straks alles op zijn hoofd neer zou komen. En dat laatste gebeurde ook, want begin november werd de kapitein van de Voorwaarts voor de rechter gebracht. Wonder boven wonder waren er geen doden gevallen, maar de vraag moest beantwoord worden of de boot door zijn schuld was gekanteld. Vele “deskundigen” werden gehoord, waaronder Johannes Deelstra, kapitein van de Prins van Oranje.

Getuigenis Johannes

In zijn pleidooi voor de rechtbank zei advocaat B. van Loon onder andere: “Daar heb je Deelstra; die man heeft hart. Die man zegt als deskundige: ik zou dezen beklaagde niet gaarne schuldig spreken. Ik hoop dat de rechtbank de zienswijze van Deelstra zal deelen. Het mocht niet baten, de kapitein van de Voorwaarts werd schuldig bevonden en veroordeeld tot een boete van 300 gulden (nu: € 3.699) of een maand gevangenisstraf.

Johannes was ook politiek actief. In 1907 traden er twee leden uit de gemeenteraad van Franeker. Er werd een stemming gehouden wie de vrijgekomen posities mochten innemen en Johannes stelde zich, als lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), beschikbaar. Helaas echter eindigde hij met 140 stemmen op de een-na-laatste plaats en werd dus niet gekozen. In de jaren twintig zou zijn broer Hans precies hetzelfde proberen in de gemeenteraad van Amsterdam. Maar hij bracht het er zelfs nog iets slechter van af: hij werd laatste. Maar terug naar Franeker, naar de niet gekozen Johannes. Die gaf zich niet zomaar gewonnen en ook in het jaar 1909 was hij een van de mannen die zich kandidaat stelde bij de gemeenteraadsverkiezingen. Daarnaast was hij actief in verschillende commissies.  Zo was hij bijvoorbeeld jarenlang lid van de schattingscommissie van de gemeente.

Zoals gezegd woonde Johannes’ jongere broer Hans in Amsterdam. Hans had in 1903 zijn kantoorbaan vaarwel gezegd en was aardappelhandelaar geworden. In 1907 besloten de broers de krachten te bundelen en richtten zij de Firma J & H Deelstra op. Johannes nam ontslag als kapitein en richtte zich vanaf 1907 volledig op de aardappelen. De aardappel had in 1736 of 1737 zijn weg naar Friesland gevonden. Dat wil trouwens niet zeggen dat Friesland de aardappel direct in de armen sloot. Het was even wennen, maar uiteindelijk zou Friesland de eerste provincie zijn die de aardappel ging verbouwde en echt ging eten. Het was de Franeker schipper Jan Pieters die in 1771 het allereerste schip met aardappels van Franeker naar Amsterdam vervoerde. En bijna tweehonderd jaar nadat de eerste pieper in Friesland was aangekomen, besloot Johannes Deelstra zich dus volledig te richten op de aardappelteelt. En dat betekende ook dat hij meer grond nodig had:

  • 1907: een perceel weiland voor 570 gulden (huidige waarde € 6.497)
  • 1908 – een perceel bouwterrein voor 1.572 gulden (huidige waarde: € 17.704)
  • 1911 – een perceel bouwterrein voor 1.000 gulden (huidige waarde € 10.598)
  • 1916: een weiland voor 5.000 gulden (huidige waarde € 40.740)

Franeker Amsterdam

In het bovenstaande lijstje is te zien dat hij in onder andere in het jaar 1908 een bouwterrein kocht. Dit terrein lag aan de Wilhelminastraat, en in september 1909 kregen de heren Deelstra, van Haitsma en Hemmes toestemming tot het bouwen van een “dubbel pakhuis”. In januari 1917 kocht hij ook “het westelijk gedeelte van de schuur, ongeveer de helft, met het vóór dit gedeelte gelegen erf, staande en liggende aan de Prins Hendrikkade te Franeker. De scheiding tusschen het verkochte en het onverkochte gedeelte van die schuur zal loopen door het midden van de binten, staande ongeveer in het midden van de schuur. De koopsom bedroeg 2.000 gulden (huidige waarde € 22.796). De schuur was “gunstig gelegen aan den weg en het groot scheepswater.” Vlak naast het pakhuis huurde hij tot mei 1919 ook nog een perceel bouwgrond van 392 vierkante meter. De man zag duidelijk brood in aardappelen.

Hoewel hij in 1907 een nieuwkomer was in de wereld van aardappelhandelaren, was hij op zaterdag 5 oktober 1907 in Leeuwarden aanwezig toen de Bond van Aardappelhandelaren werd opgericht. Sterker nog: tijdens die oprichtingsvergadering werd hij gekozen tot bestuurslid. De Bond wilde “den aardappelhandel bevorderen” door de bestaande regels voor de invoer van aardappels te verbeteren, regels op te stellen voor de verzending en verpakking van aardappelen naar afgelegen plaatsen en door samen te werken met andere maatschappijen. In januari 1910 was Johannes zelfs voorzitter van de vergadering van de Vereeniging van Nederlandsche Aardappelhandelaren in hotel De Nederlanden te Leeuwarden. Ondertussen sleepte broer Hans in Amsterdam de ene naar de andere order binnen en werden aardappelen geleverd aan:

  • 1907: aan het garnizoen te Haarlem
  • 1908: aan de soldaten-menages te Amsterdam
  • 1908: aan het garnizoen te Haarlem
  • 1909: aan het Rijkskrankzinnigengesticht te Medemblik (voor en prijs van 0.0495 cent per kilo)
  • 1909: aan het garnizoen te Haarlem
  • 1910: aan de soldaten-menages te ‘s Hertogenbosch
  • 1912: aan het 10e Regiment Infanterie te Haarlem
  • 1914: aan het Diaconie Weeshuis der Ned. Hervormde Gemeente te Amsterdam

In het jaar 1900 werd de stoomtramlijn Leeuwarden-Franeker voltooid en in 1901 werd deze doorgetrokken naar Arum. Er werd nogal wat geklaagd over de snelheid waarmee de tram door de stad ging. Dat viel natuurlijk alles mee, maar de stoomtram ging nu eenmaal veel sneller dan de trekschuit of de koets. Dit soort snelheden was men niet gewend. De komst van de automobiel vereiste nog meer gewenning, omdat een auto niet rails-gebonden was en letterlijk overal kon opduiken. Wie de kranten tussen pakweg 1910 en 1940 doorleest, krijgt onbewust het gevoel dat het toen een stuk gevaarlijker op de weg was dan tegenwoordig. Het aantal auto’s was te verwaarlozen, maar toch ging er met grote regelmaat iets mis. Deels kwam dat omdat bijvoorbeeld spelende kinderen, voetgangers en fietsers geen rekening hielden met auto’s. Maar het kwam ook omdat dit vervoermiddel voor de berijder zelf totaal nieuw was. In de kranten lezen we hoe een automobiel soms “met woeste snelheid” door de straat ging en zich dan vervolgens “te pletter reed” tegen een boom of een ander, niet meebuigend voorwerp. Begin augustus 1935 was er kermis in Franeker, waar onder andere “een paar Harlingers” aanwezig waren. “Zij reden met hun auto met volle vaart op de oliebollenkraam van den heer Andela in, staande aan de Breedeplaats, met het gevolg, dat de uitstalling totaal werd vernield [..] en afgebroken moest worden. Het ongeluk moet gekomen zijn doordat de bestuurder bij vergissing op het gaspedaal trapte, waardoor de wagen met groote vaart vooruit schoot.” Daarnaast was de automobiel zelf nog allesbehalve betrouwbaar. Veel ongelukken ontstonden door een probleem aan- of het blokkeren van “de stuur-inrichting.” Johannes kreeg op woensdag 12 maart 1913 het kenteken B-890 uitgereikt. Dat zal voor een vrachtwagen zijn geweest, want personenauto’s waren nog zeer exclusief. Zover bekend heeft hij de automobiel op de weg weten te houden en was hij niet betrokken bij ongelukken.

Zuiderkade1

In de zomer van 1920 kocht, zoals zo mooi in de koopakte omschreven staat: “Johannes Deelstra, Johannes zoon Junior, het woonhuis met erf en aanbehooren, staande en liggende aan de Zuiderkade [nummer 16] te Franeker.” Dit was “een royale koopmanshuizinge, aan groot scheepsvaarwater.” De benedenverdieping bestond uit een “vorstvrij pakhuis, bleek, bak en put.” De bovenverdieping bestond uit een “voorkamer, alcoof en achterkamer, keuken en kantoortje met telefoon.” De koopsom bedroeg 7.800 gulden, want nu neer zou komen op € 41.933. Toch zouden Johannes en zijn gezin hier maar heel kort wonen, want in januari 1922 werd het huis alweer te koop aangeboden. Alles bij elkaar hadden ze er maar anderhalf jaar gewoond. Het gezin verhuisde letterlijk naar de overkant, naar de Prins Hendrikkade nummer 6. Dit was dus op luttele meters afstand van het eerder gekochte pakhuis. Het pand en het pakhuis zijn allang verdwenen, maar op onderstaande luchtfoto zijn de pakhuizen nog net te zien (het zijn de donker gekleurde panden).

Pakhuizen Pr. Hendrik

Het gezin verhuisde later naar “de woning nummer 40, met erf en grond aan de Leeuwarder trekvaart en aan den weg op Zevenhuizen onder Franeker.” Hier zouden ze tot minimaal 1940 blijven wonen. Of ze daarna in deze woning zijn gebleven of zijn verhuisd, is niet duidelijk.

Johannes

In september 1930 liet de krant weten dat Johannes “een enorme aardappel-opbrengst” had. De plaatselijke verslaggever deed echt alle moeite om uit te leggen hoe groot die opbrengst wel niet was. Zo legde hij uit de Johannes in het voorjaar 100 Alpha aardappelen had gepoot en dat, na het rooien van slechts vijf planten, de opbrengst inmiddels 38 pond aardappelen bedroeg. “Wanneer men nu rekent dat er 8000 aardappels in een pondemaat gepland kunnen worden, dan hebben ze onderling flink ruimte. Deelt men nu de 5 planten op de 8000, dan krijgt men een gewicht van 1600 x 38 pond = 60800 pd. en daar ’n korf aardappels 70 pd. weegt, zou men van een pondemaat dat een dergelijke hoeveelheid opbracht, kunnen rooien 60800 pond, gedeeld door 70 pond = ruim 868 korven, of 434 H.L. Rekent men verder dat dat een spoorwegwagon 1000 K.G. laadt, dan zouden 3 zulke wagons de hoeveelheid van zoo’n pondemaat nog niet kunnen herbergen. Deze aardappels waren echter flink bemest, daar iedere pootaardappel een hand vol kunstmest in ’t gat gekregen had.” Menig lezer zal toen – en nu – in een vroeg stadium afgehaakt zijn. Maar het was uiteraard goed nieuws voor de broers, die nu een flinke partij aardappelen aan de man konden brengen.

Monster AardappelVrachtwagen

In het jaar 1929 legde Johannes zijn nevenfunctie neer als lid van de schattingscommissie van de gemeente. In plaats daarvan werd hij voorzitter van het waterschap “De Loop.” Deze functie zou hij alles bij elkaar negen jaren vervullen. En dat is vreemd, want het was Johannes die in 1917 verklaarde dat “hij door het afsluiten van den publieke vaarweg de Oudeloop groote schade zal lijden.” Zijn bezwaren werden weerlegd en de commissie die erover ging merkte op dat “alleen de heeren Zeinstra en Deelstra” zich niet konden “vereenigen met de afdamming van de Oude Loop.” Maar zoals de Engelsen zo mooi zeggen: if you can’t beat them, join them, en dus was hij negen jaar voorzitter van het waterschap waar hij in eerste instantie op tegen was geweest. In 1938 gaf hij aan dat hij “wegens ver gevorderden leeftijd niet weer voor die functie in aanmerking wenschte te komen.” Bij de rondvraag “bracht de heer Deinum een woord van hartelijken dank aan den scheidenden voorzitter, den heer Joh. Deelstra, voor het vele werk, dat hij in die negen jaren in het belang van het waterschap heeft gedaan.”

Wat Johannes voor de ontspanning deed weten we ook, want hij was een verwoed dammer. Hij had in eerste instantie gekozen voor het schaken en hij was lid van de Schaakclub Franeker. Hij speelde er in de derde klasse en in april 1910 werd hij tweede op het clubtoernooi. Eind twintiger jaren echter, toen hij het wat rustiger aan ging doen, richtte hij zich op dammen. Zo speelde hij onder andere mee op damtoernooien in 1929, 1931, 1934, 1939 en 1940. En oefening baart kunst, want in 1940 werd hij eerste (in de tweede klasse, dat dan weer wel).

Dammen 1940

In 1941 overleed zijn broer en Hans plotseling. De zaak was inmiddels overgenomen door Johannes (geboren in 1908) en Hans (geboren in 1912); de beide zoons van Hans. Dus niet alleen ging de aardappelhandel een generatie verder, hij ging ook nog eens verder onder exact dezelfde voornamen. Het enige verschil was dat de samenwerking tussen de junior Deelstra’s uiteindelijk spaak liep, waardoor Johannes de zaak alleen voortzette.

Op maandag 22 mei 1947 vierden Johannes en zijn vrouw Jantje hun 60-jarige echtvereniging. Op medisch advies geen bezoek, stond er in de advertentie, want Johannes was toen al ziek. Vier maanden na hun diamanten huwelijk overleed Johannes, zacht en kalm te Franeker, op de zonnige en zeer warme zaterdag 13 september 1947. Hij werd begraven op woensdag 17 september 1947, om twee uur in de middag vanuit de Doopsgezinde Kerk te Franeker. Johannes Johannes Deelstra werd 82 jaar oud.

overlijden Johannesdank Joahnnes

En zo bleef zijn vrouw Jantje alleen achter. Ze overleed tenslotte, zacht en kalm, op dinsdag 28 maart 1950 te Franeker en werd bijgezet in het graf van haar man. Jantje Jans Miedema werd 84 jaar oud.

Overlijden JantjeGrafsteen