Janke Johannes (1860-1919)

Janke Johannes Deelstra werd op zondag 5 augustus 1860, des avonds ten elf uur op het Vliet 115 te Franeker geboren. Zij was het eerste kind van de 26-jarige Johannes Jans Deelstra en de 24-jarige Feikjen Jans Siesling (Sijsling). Vader Johannes was eerder getrouwd geweest, met Corneliske Jacobs Harkema, maar na de geboorte van hun zoontje in 1858, waren zowel de baby als de moeder vlak na elkaar overleden. Janke was dus het tweede kind van vader Johannes, maar het eerste kind van moeder Feikjen. Na Janke zouden er nog negen kinderen geboren worden, waarvan de laatste levenloos ter wereld kwam. Toch zou dit gezin nog veel meer droefenis ten deel vallen, want Janke’s jongere broertje Hans werd 4 jaar oud, haar broertje Hendrik 4 maanden en een tweede broertje met de naam Hendrik werd slechts 2 dagen oud. Na Janke’s geboorte verhuisde het gezin naar het Vliet 121 te Franeker, waar haar vader een winkeltje begon. Later in haar jeugd verhuisden ze naar Schilbanken 6, Schilbanken 13 en Tuinen 79, allemaal te Franeker. Verhuizen was heel eenvoudig in die dagen. Het kon zomaar gebeuren dat een man aan het einde van de werkdag ontdekte dat er een ander gezin in zijn (inmiddels oude) huis woonde. Van de nieuwe bewoner kreeg hij vervolgens te horen waar hij naar toe moest. Zijn vrouw was dan ’s ochtends langs een lege woning gelopen, had de huisraad op een kar geladen en was verhuisd. Voor de huurbaas maakte het geen verschil, zolang de huur maar voldaan werd.

De 38-jarige Sybren Berends Dijkstra werd in 1879 de nieuwe predikant van het dorp Welsrijp. Samen met zijn vrouw Hiske Jans Jellesma en hun drie kinderen gingen zij eind september 1879 in het dorp wonen. Op maandag 1 december 1879 namen ze twee dienstmeisjes in dienst: de 13-jarige Jetske Lieuwes Hamersma uit Tzummarum en de 19-jarige Janke Johannes Deelstra uit Franeker. Hoewel de afstand tussen Franeker en Welsrijp slechts zes kilometer bedroeg, was er weinig tijd of gelegenheid voor Janke om haar ouders te zien. Eens in de 14 dagen een vrije zondag, als ze geluk had. De dag van een dienstmeisje begon tussen zes en half zeven in de ochtend en eindigde rond negen of tien uur in de avond. Wassen (op de hand), koken, schoonmaken, schrobben en voor de kinderen zorgen behoorden tot de dagelijkse routine. Eten deed het personeel in de keuken, waar vaak geen verwarming was en waar het in de winter ijs- en ijskoud kon zijn.
Lang zou Janke niet in Welsrijp blijven, want op zaterdag 5 juni 1880 verhuisde ze naar Leeuwarden. In Leeuwarden werkte ze eerst op de Korenmarkt (nu: Voorstreek) bij de familie van der Wal, en vervolgens op de Druifstreek bij de familie van Munster. Ze zou bijna een jaar als dienstbode in Leeuwarden wonen en werken, maar op vrijdag 22 april 1881 verruilde ze Leeuwarden voor Amsterdam. In de zomer van 1881 was Janke het dienstmeisje bij de slechts twee jaar oudere Adriana Stam in de Leidschestraat 10. Ze waren dan misschien leeftijdgenoten, maar er zat een wereld van verschil tussen deze jonge vrouwen.

Vergeleken bij Franeker en Leeuwarden was Amsterdam een wereldstad met z’n 325.000 inwoners. Tussen mei en oktober 1883 werd de eerste Internationale Koloniale & Uitvoerhandel Tentoonstelling in Amsterdam gehouden. Het Concertgebouw was in 1883 nog in aanbouw en op het braakliggende terrein ervoor (nu het Museumplein) had deze tentoonstelling haar tenten opgezet. Er waren bazaars, restaurants, winkels en 28 landen hadden er hun eigen paviljoen. Door de explosieve groei van de stad werden nieuwbouwwijken als de Dapperbuurt, de Kinkerbuurt en de Pijp gebouwd. De armste Amsterdammers woonden in de snel verpauperende Jordaan en rond Kattenburg.
Maar boven alles was Amsterdam de bruisende stad waar van alles te doen was. In het jaar dat Janke in Amsterdam arriveerde, begon in het Koninklijk Nederlandsch Circus Oscar Carré een geheel nieuw Programma, onder medewerking van alle Kunstenaars en Kunstenaressen, in hunne grootst uitstekendste Productiën, waaronder een optreden van 15 Clowns. In Carré was ook de wereldberoemde Luchtkunstenaresse Miss Katarinodare te zien. In het Paleis voor Volksvlijt (door brand verwoest in april 1929) trad in dezelfde periode Silvia, De Nimf van Diana op met een fantastisch Ballet-Pantomime (entrée 75 cents). En in Artis werd in 1882 het prachtige aquarium geopend. Amsterdam was de stad van de vele markten, de eindeloze winkelstraten en de paardentrams. Voor Janke moet het een geweldige en ongekende ervaring zijn geweest.

In december 1882 verhuisde ze naar de Nieuwe Doelenstraat 18, dezelfde straat waar Rembrandt van Rijn en zijn vrouw Saskia van Uylenburgh ooit hadden gewoond. De straat ook waar de Nachtwacht ooit hing. Janke werkte er bij koopman Jacob Marinus Reynvaan en zijn gezin. Op dinsdag 4 augustus 1885 keerde zij echter terug naar Franeker en trok weer bij haar ouders in. Het waarom is niet duidelijk, temeer daar ze op maandag 30 november 1885 weer naar Amsterdam terugkeerde, waar ze verpleegster werd in het Buitengasthuis aan de Overtoomschevaart 144 (de vaart werd in 1904 gedempt). De adjunct-directrice van het Buitengasthuis was Johanna Paulina Reynvaan, de zuster van koopman Jacob Marinus Reynvaan (waar Janke dus een aantal jaren werkzaam was geweest). Het is dus heel goed mogelijk dat Janke op voorspraak van haar eerdere werkgever een kans kreeg om in het Buitengasthuis te werken.

Johanna Paulina Reynvaan was in 1883 adjunct-directrice geworden en samen met geneesheer-directeur J. van Deventer heeft zij veel betekent in de verbetering van de ziekenzorg. Zo was er in 1882 nog een rapport verschenen over de kwaliteit in de gasthuizen, waaruit bleek dat drankmisbruik onder het verplegend personeel regelmatig voorkwam, net als het verkopen van medicijnen. Ook gebeurde het dat het voedsel voor de zieken door het verplegend personeel werd opgegeten. Zelfs het mishandelen van patiënten was geen uitzondering. Johanna Reynvaan was een van de mensen die hier paal en perk aan stelde. Verpleegkundigen werden voortaan opgeleid en moesten van onberispelijk gedrag zijn. Zij moesten het visitekaartje van het ziekenhuis zijn. Ook voerde ze nachtdiensten in en stond ze erop dat het verplegend personeel een uniform droeg. In deze sprankelende en uitdagende tijd van verandering, vernieuwing en verbetering werkte Janke dus als verpleegster.

In juli 1876 verhuisde ze naar Haarlem, waar ze alles bij elkaar iets meer dan twee jaar zou wonen en werken (hoogstwaarschijnlijk in een van de gasthuizen aldaar). Op woensdag 26 september 1888 keerde ze naar Amsterdam terug, waar ze als verpleegster in het Prinsengracht Ziekenhuis (Prinsengracht 769) ging werken. Er was inmiddels veel veranderd en verbeterd in de medische wereld. Zo was halverwege de 19e eeuw de narcose uitgevonden, hoewel het nog een aantal jaren zou duren voordat men uitgedokterd had hoeveel ether (later chloroform) er nodig was om een patiënt onder narcose te brengen. En nog belangrijker: hoe de narcose gedoseerd toegediend moest worden. Het is moeilijk voor te stellen, maar tot dan toe werden alle operaties zonder verdoving uitgevoerd. De patiënten kronkelden, huilden en jammerden van pijn tijdens de operatie en soms nam er zelfs eentje de benen. Maar dat alles was nu verleden tijd en ook kwamen er steeds meer ziekenhuizen met een operatiekamer. Voordien werden patiënten gewoon thuis geopereerd, of in hun eigen kamertje in het ziekenhuis.
De dag- of nachtdienst van een verpleegster duurde twaalf uren en in tijden van drukte had ze de verantwoordelijkheid over vijftig patiënten. Daarnaast waren er allerlei dagelijkse werkzaamheden die uitgevoerd moest worden, zoals het afstoffen van de kamers en het schrobben van de vloeren. De zusters sliepen in het ziekenhuis en hun salaris bedroeg ongeveer 125 gulden per jaar. In het Prinsengracht Ziekenhuis werkten alleen vrouwelijke verpleegsters (pas in 1978, dus 90 jaar nadat Janke er werkte, werden er ook mannelijke verplegers toegelaten).

Op zaterdag 31 januari 1891 keerde Janke andermaal naar Franeker terug en woonde ze weer enkele maanden bij haar ouders thuis. Ditmaal ter voorbereiding van haar huwelijk. Het was zeer ongebruikelijk dat een getrouwde vrouw haar baan behield (alleen uit bittere armoede), dus toen de trouwplannen vaste vorm begonnen aan te nemen, had zij voorgoed afscheid moeten nemen van haar collega’s en wellicht vriendinnen in het Prinsengracht Ziekenhuis.
Ze was 30 jaar oud, toen ze op donderdag 9 april 1891 te Franeker in het huwelijk trad met de 28-jarige koopman Mijndert Cornelis Schaap. Mijndert was op woensdag 8 oktober 1862, des voormiddags ten drie ure in de St. Anthoniebuerstraat C-281 te Amsterdam geboren. Hij was een zoon van de toen 54-jarige broodbakker Cornelis Simons Schaap en de 42-jarige Anna Maria Johannes Lindeman. Zijn vader overleed toen hij negen jaar was (in 1871) en zijn moeder hertrouwde in 1874. En zo kregen Mijndert en zijn oudere zus Alida (vernoemd naar zijn oma Alida Draak) er een stiefvader en een stiefzuster bij (Jeanette Elisabeth Werner). Rond zijn twintigste was Mijndert smid van beroep, maar toen hij met Janke in het huwelijk trad verdiende hij zijn geld als koopman. Zijn moeder overleed in november 1890, dus amper een half jaar voor zijn huwelijk. Zoals we in onderstaande advertentie kunnen lezen, trouwde Mijndert als Meindert en Janke als Johanna. Maar dat was slechts voor de buitenwacht, want voor de Burgerlijke Stand trouwden zij gewoon als Mijndert & Janke. De getuigen bij het huwelijk waar nu eens geen gemeentebode, klerk of veldwachter, maar winkelier, kleermaker, zeilmaker en veerschipper. De laatste was de broeder van de bruid, maar het lijdt geen twijfel dat ook de eerste drie getuigen bevriend waren met de familie Deelstra:

  • Douwe van der Schaaf, 71 jaar, winkelier, wonende te Franeker, geen familie van de comparanten
  • Roelof Bergema, 54 jaar, kleermaker, wonende te Franeker, geen familie van de comparanten
  • Bochum Epma, 48 jaar, zeilmaker, wonende te Franeker, geen familie van de comparanten 
  • Jan Deelstra, 27 jaar, veerschipper, wonende te Franeker, broeder van de bruid

Een kinderwens hadden Janke en Mijndert wel degelijk, maar het mocht niet zo zijn. En honderd jaar geleden waren er eigenlijk maar twee opties: een vrouw werd zwanger of ze werd het niet. En als de zwangerschap om de een of andere reden uitbleef, stonden de geneesheer, het gasthuis en het ziekenhuis machteloos. Niemand die daar iets aan kon veranderen.

Direct na hun huwelijk woonden ze een klein jaar op de Jan van der Heijdenstraat 173 te Amsterdam. Dit was waarschijnlijk de Eerste Jan van der Heijdenstraat, omdat pas in 1881 met de bouw van de Tweede Jan van der Heijdenstraat begonnen werd. In februari 1892 verhuisden ze naar de Oudezijds Voorburgwal 90 en een maand later trok Janke’s broer Hans bij hen in. Hans was 19 jaar oud en 12 jaar jonger dan zijn grote zus. Hij kwam naar Amsterdam om als kantoorbediende voor Mijndert te werken. Op woensdag 19 september 1894 verhuisden ze met z’n drieën naar de Heiligeweg nummer 3, waar ze alles bij elkaar bijna vier jaar zouden wonen. In het voorjaar van 1898 verhuisden Janke en haar man naar Apeldoorn en bleef Hans in Amsterdam achter. Hij zou de rest van zijn leven in Amsterdam blijven wonen, zou er trouwen en kinderen krijgen en zou samen met zijn broer Johannes een handel in aardappelen en groenten opzetten.

Op dinsdag 26 april 1898 vestigden Janke en haar man zich op de Kanaalstraat 125 te Apeldoorn, waar Mijndert de kost verdiende als koopman in luxe artikelen en postzegels. In het pand aan de Kanaalstraat woonden ook andere gezinnen, zoals de familie de Groot bijvoorbeeld. Vader Gerardus Jacobus de Groot kwam oorspronkelijk uit Maassluis, maar zijn vrouw Jeanette Susanna Gilbert was in Poerwakarta, Java (Batavia) geboren, net als hun beide dochters. Wijnand Elzas en zijn gezin woonden er ook. Wijnand’s beroep werd in het bevolkingsregister omschreven met het vage in huiden. Wijnand was getrouwd met de Esperance Tal en samen met hun kinderen Femia, Rozette, Justus en Nathan waren ook zij directe buren van Janke en Mijndert.
In de negen jaar die ze in Apeldoorn doorbrachten, zouden ze (uiteraard) verschillende keren binnen de gemeente verhuizen. Zo woonden ze onder andere op de Soerenseweg, Zwarteweg, Loseweg, Arnhemseweg, Molenstraat en de Spoorbrugweg. Begin 1904 was Janke 44 jaar oud en het was overduidelijk dat zijzelf nooit een kind zou baren. En dus besloten ze een pleegkindje in huis te nemen. En zo kwam Henriette Johanna Wilka Rössner in mei 1904 bij Janke en Mijndert in huis. Het meisje werd niet geadopteerd, dus Henriette behield haar oorspronkelijk achternaam. Ze was op woensdag 24 oktober 1900 te Bocholt (Noordrijn-Westfalen, Duitsland) geboren, vlakbij de Gelderse Achterhoek. Het kleine meisje was vier jaar oud toen Janke en Mijndert haar in huis namen en zeker Janke’s leven zou voorgoed veranderen. Want van het ene op het andere moment had zij iemand die ze al haar moederliefde kon geven. Het waren hoogstwaarschijnlijk de mooiste jaren van Janke’s leven.

In maart 1907 verruilden Janke, haar man en de kleine Henriette Apeldoorn voor Den Haag. Ze gingen er wonen op de Paviljoensgracht 20. Op die gracht was ook het Heilige Geesthofje uit 1616, met daarin de perenboom uit 1638, die tot op de dag van vandaag nog steeds elk jaar vrucht draagt. Op de gracht stonden ook het Spinoza-huis (Paviljoensgracht 72-74) en het Spinoza-beeld. En om de hoek lag de voormalige spookbrug, waar het ooit, lang geleden, niet pluis was. Maar er was meer, want Mijndert stopte als handelaar in luxe goederen en postzegels en werd kofferfabrikant. Sterker nog: hij richtte de Kofferfabriek Nederland – Firma Schaap & Co op (telefoonnummer 6975). Wie zijn toenmalige partner en vennoot was, is niet bekend. Het betekende in ieder geval dat hij zich specialiseerde in het vervaardigen van koffers en legerartikelen in den uitgebreidsten zin en den handel daarin en andere artikelen en wat verder tot dat vak behoort. De toevoeging en wat verder tot dat vak behoort was zeker niet overbodig, want kofferfabrikanten verkochten bijvoorbeeld ook portefeuilles, schrijfmappen, sigarenkokers, handtassen en veldflessen. En, zoals we in onderstaande advertentie kunnen lezen, was een kofferfabrikant aan het begin van de 20e eeuw ook nog altijd een zadelmaker.

In augustus 1915 verhuisde het gezin naar de Gedempte Burgwal 37 en in juni 1919 naar de Gedempte Burgwal 42, ongeveer 250 meter verwijderd van hun huis aan de Paviljoensgracht. Het zou de laatste verhuizing voor Janke worden, want drie maanden later, op vrijdag 26 september 1919, overleed zij. Tijdens haar leven had ze in Franeker, Welsrijp, Leeuwarden, Amsterdam, Haarlem, Apeldoorn en Den Haag gewoond en was ze in totaal meer dan twintig keer verhuisd. En toch werd Janke Johannes Deelstra slechts 59 jaar oud.

En zo bleef Mijndert dus achter met zijn 19-jarige stiefdochter. In april 1921 verloofde hij zich met de 14-jaar jongere onderwijzers in handwerken Sophia Concordia Theodora Vermaat en in juli van dat jaar traden zij met elkaar in het huwelijk. Sophia werkte tot begin 1912 als onderwijzeres 2e klas in handwerken voor meisjes aan de openbare lagere school aan de Vlietstraat in Den Haag en tot eind december 1917 aan de school van Ravesteinstraat, ook in Den Haag. Toen zij in 1921 met Mijndert trouwde, was zij 44 jaar oud. Een van de getuigen bij het huwelijk was de 55-jarige kofferfabrikant Frans Frederik Maywald senior. Een jaar eerder was Frans de zakenpartner, de vennoot, van Mijndert geworden. Het was een vennootschap voor vijf jaren, aanvang genomen hebbende 1 Januari 1920 en eindigende 31 December 1924. 

Mijndert zou de crisis in de jaren dertig en het uitbreken van de 2e Wereldoorlog nog meemaken. Hij overleed op maandag 27 januari 1941, ten achttien ure nul minuten te ‘s-Gravenhage. Uit de rouwadvertentie kunnen we afleiden dat hij al enige tijd ziek was. Mijndert Cornelis Schaap werd 78 jaar oud en hij werd op vrijdag 31 januari 1941 om drie uur in de middag op Oud Eik en Duinen te ‘s-Gravenhage begraven. Het is niet bekend of zijn vrouw Sophia in ‘s-Gravenhage bleef wonen en wanneer zij overleed. Pleegdochter Henriette was 41 jaar oud toen haar stiefvader overleed en ze woonde toen nog altijd thuis. Ze bleef vrijgezel en verhuisde later naar Rotterdam. Daar overleed ze op donderdag 24 januari 1985.  Henriette Johanna Wilka Rössner werd 84 jaar oud.