Jan Johannes (1863-1937)

Vliet Franeker

Plaats In De Stamboom
Ouders: Johannes Jans Deelstra (1834-1919) & Feikjen Jans Siesling (1836-1927)
Grootouders: Jan Jans Deelstra (1802-1853) & Janke Pieters Vlassinga (1809-1863)
Overgrootouders: Jan Hendriks Deelstra (1774-1850) & Sijtske Jans van der Meer (1777-1840)

Jan Johannes Deelstra werd op zondag 15 november 1863, des avonds ten vijf ure op ’t Vliet 121 te Franeker geboren. Hij was het derde kind van de 29-jarige Johannes Jans Deelstra en de 27-jarige Feikje(n) Jans Siesling (Sijsling). Vader Johannes deed een dag na de geboorte van zijn zoon aangifte bij de Burgerlijke Stand. Hij ondertekende de geboorteakte echter niet, “verklarende niet te kunnen schrijven, zulks niet geleerd hebbende.” Toen Jan geboren werd, was zijn oudste zuster Janke vier jaar oud en zijn jongste zuster Hylkje anderhalf. Na hem zouden er nog zes broertjes en zusjes geboren worden, waarvan er drie voor het vijfde levensjaar zouden overlijden. Uit het eerste huwelijk van vader Johannes  (in 1857 met Corneliske Jacobs Harkema) was al een Jan geboren, maar dit jongetje was drie weken na de geboorte overleden.

In 1883 werd Jan gekeurd voor Nationale Militie (militaire dienst). Hij werd goedgekeurd en op maandag 7 mei 1883 moest hij zich melden bij het Regiment Grenadiers en Jagers. Dit Regiment moest “onder het oog des Konings” dienen, wat inhield dat zij werden gelegerd waar de Koning regeerde. Het betekende dat Jan zijn diensttijd ver van huis, in de Oranje-kazerne te Den Haag doorbracht. Onder het oog van de Koning betekende trouwens niet dat er sprake was van enige voorkeursbehandeling. In januari 1886 meldden verschillende kranten dat “er dagelijks gevallen geconstateerd worden van hersenontsteking onder manschappen van het regiment grenadiers en jagers te Den Haag. Drie soldaten waren al overleden, anderen waren in het hospitaal opgenomen met dezelfde verschijnselen. De manschappen werd geadviseerd “zich op wacht in acht te nemen tegen het vatten van koude, door niet onvoldoende gekleed zich buiten te begeven en na op post te hebben gestaan niet dadelijk bij een meestal loeiende kachel te gaan zitten.” Dit lapmiddel deed nogal wat stof opwaaien en al snel werd duidelijk dat de leefomstandigheden in de Oranje-kazerne erbarmelijk waren. De soldaten “zijn blootgesteld aan tocht, vocht en kou” en er was bovendien “bijna geen gelegenheid tot reiniging.” Zij kregen “onvoldoende kleeding,” en het eten was er “slap en slecht”. Eind februari 1886 begon men “de kamers in de kazerne te ontsmetten en het beddengoed te vernieuwen, in de hoop dat dit verbetering moge brengen.” Dit alles vond plaats toen Jan in Den Haag gelegerd was. Op dinsdag 30 april 1889 zat zijn diensttijd erop. Dankzij de militaire dienst is er een summiere omschrijving van hem bewaard gebleven:

  • Lengte: 1 Meter 650 millimeter
  • Aangezigt: ovaal
  • Voorhoofd: laag
  • Oogen: blaauw
  • Neus: ordinair (gewoon)
  • Mond: idem
  • Haar: blond
  • Kin: rond
  • Wenkbraauwen: blond
  • Merkbare Teekenen: geene

Kazerne

Bij de keuring in 1883 liet Jan olieslagersknecht als beroep noteren. Een olieslager onttrok de olie uit koolzaad, raapzaad, lijnzaad en hennepzaad door deze met zware stampers te pletten. Het lawaai in een olieslagerij was dan ook oorverdovend. De olie werd onder andere gebruikt voor lampen, in verf en voor consumptie. Van de overgebleven zaadschilletjes werden veekoeken gemaakt. De kans is zeer aannemelijk dat Jan als olieslagersknecht bij de Stoomfabriek Firma Kamstra, Pars & Co te Franeker heeft gewerkt. Dit bedrijf zou in 1888 afbranden. De brand was in de woldrogerij ontstaan en grote hoeveelheid olie en lijnkoeken zorgden ervoor dat het vuur razendsnel om zich heen greep. Een sterkte noordoostenwind deed de rest. Het vuur was zoo hevig, aldus de plaatselijke verslaggever, dat “aan blusschen niet te denken viel.”

Toen Jan uit dienst terugkeerde, woonde hij nog heel even bij zijn ouders op de Tuinen 69 te Franeker. Amper drie weken later, op zondag 19 mei 1889, trouwde hij met Wijtske Ydes Tamminga. Hij was 25 jaar oud en werkte als arbeider, Wijtske was 22 jaar en verdiende de kost als naaister. Wijtske was op donderdag 31 mei 1866, des morgens ten vier ure te Franeker geboren en was het eerste kind van vader Yde Wybes Tamminga en moeder Antje Johans Weyer. Wijtske’s vader had zich in de loop der jaren opgewerkt van kooltjer (groentekweker) tot koopman en samen met zijn vrouw was hij bij het huwelijk aanwezig. Ook Jan’s ouders waren aanwezig. Als getuigen traden op:

  • Jacob Tamminga, 44 jaar, koopman, woonachtig te Franeker, oom van de bruid
  • Johannes Deelstra, 25 jaar, machinist, woonachtig te Franeker, broeder van den bruidegom
  • Dirk Magré, 25 jaar, tasker, woonachtig te Franeker, geene familie van de comparanten
  • Fokke Fokkema, 39 jaar, koemelker, woonachtig te Franeker, geene familie van de comparanten 

Hoewel de laatste twee getuigen dus geen familie van Jan of Wijtske waren, is het heel goed mogelijk dat zij vrienden van het het bruidspaar waren. Want ditmaal waren het geen klerken en veldwachters (aan den gehuwden vreemd) die opgetrommeld werden om als getuigen te fungeren, maar een oom, een broer, een tasker en een koemelker. Hieronder de handtekeningen van het bruidspaar en hun ouders. Met uitzondering van vader Johannes Deelstra uiteraard, die niet kon lezen of schrijven.

Handt. Jan Wijtske en familie

Jan en Wijtske zouden samen de volgende kinderen krijgen:

  1. Anna, 10 februari 1890 te Franeker – 29 november 1920 te Franeker (30 jaar)
  2. Johannes, 27 februari 1898 te Franeker – 26 mei 1898 te Franeker (2 maanden)

Na zijn trouwen werd Jan schipper van beroep. Of beter gezegd: beurtschipper. Beurtschippers kregen een vergunning voor een vast traject (een vaste route, ofwel: beurtvaart), waarbij goederen langs een aantal havens werd vervoerd. Dit was eeuwenlang een betrouwbare en snelle manier om goederen te transporteren, want verharde wegen waren er nog nauwelijks en de zand- en keiwegen waren in de herfst en winter door regen en sneeuw moeilijk begaanbaar. De beurtschepen werden meestal getrokken door een paard, maar bij harde tegenwind moesten vrouw en kinderen helpen het schip te trekken. Naast goederen, waren er soms ook passagiers aan boord. Een enkele reis kostte zestig cent. In januari 1898 verkregen “Johs. en J. Deelstra te Franeker de pacht van den tol der trekschepen, varende tusschen Franeker en Harlingen”. Daarvoor moesten zij in totaal 2 gulden 50 voor betalen, wat nu neer zou komen op 33 euro en 33 eurocent. De genoemde Johs. Deelstra was zijn jongere broer Johannes. In oktober 1898 zag Jan dat schipper R. van Dijk de helft van zijn trekschip (trekschuit) te koop aan bood. Hij kocht die helft en Jan en schipper van Dijk verkregen in december 1898 de pacht voor een periode van drie jaar voor 3 gulden per jaar (omgerekend: € 40) voor hetzelfde traject Franeker – Harlingen. De samenwerking met zijn jongere broer Johannes had dus amper een jaar geduurd.

Trekschuit Jan 1898Trekschip

Het feit dat Jan beurtschipper was, betekende niet dat hij met zijn gezin aan boord van het schip woonde. Na hun trouwen in 1890 woonden ze namelijk in de wijk T.O. (Tweede Oost), in een huis genummerd 75 te Franeker. Het andere gedeelte van het huis werd bewoond door de verversknecht van der Schaaf, zijn vrouw en twee kinderen. In juli 1895 verhuisde Jan met zijn gezin naar een huis genummerd 105 in dezelfde wijk. In dit huis woonden in totaal vier gezinnen (inclusief de Deeltra’s), waaronder Johannes Lubach en zijn gezin, twee families Kroeger (met tweemaal een Bernardus Kroeger als hoofd van een gezin). Daarnaast woonden er nog drie ongetrouwde arbeiders in deze woning. Wanneer precies is onbekend, maar uiteindelijk zou het gezin verhuizen naar Schilcampen nummer 11 te Franeker.

Het waren vreemde tijden, want op 13 juli 1898, op de jaarlijkse kermis in Harlingen, viel er sneeuw. Roerige tijden ook, waarin arbeiders het werk neerlegden en vochten voor een beter loon en betere werkomstandigheden. In 1892 waren er 150 werklozen in Franeker en op vrijdag 16 december 1892 verzamelden ze zich voor het Raadhuis “teneinde van den burgemeester werk te vragen.” De burgervader liet er geen gras over groeien en de dag erop werd besloten tot “het droogleggen, drooghouden en schoonmaken van het hoofdriool langs het Nauw, de Voorstraat, achter ’t Hof, en achter de Waag, met bijbehoorende verzamelputten, zijtakken en straatriolen.” Dit betekende dat ongeveer vijftig werklozen gedurende twee maanden aan het werk konden. De eerste dagen ging het goed, maar toen kwamen de overgebleven werkloze mannen in actie. Ze probeerden de aangenomen arbeiders het werk te beletten. De situatie escaleerde en militairen marcheerden de stad binnen om de orde te handhaven. Maar zelfs dat mocht niet baten, want deze werden met stenen bekogeld. Er werd een charge met gevelde bajonetten uitgevoerd om orde op zaken te stellen. Ook in Leeuwarden “is het in de laatste dagen des avonds bijzonder onrustig. Woensdagavond trokken weder woelige hoopen, meerendeels bestaande uit opgeschoten jongens, zingende langs de straten. Meermalen moest de politie geweld gebruiken om de menige uiteen te drijven.” In Dokkum werden ook militairen ingezet om de orde te handhaven en bij de burgemeester en andere notabelen te Noordbroek werden “de glazen bij nacht ingeslagen.” In de zomer van 1893 broeide het nog steeds. Op maandag 3 juli 1893 “tusschen 11 en 12 uur (11 uur moeten de herbergen worden gesloten) was het wederom onrustig langs de straten” in Franeker. Een menigte trok door de stad, langs het Kaatsveld, Tuinen en het Bolwerk, onder het zingen van socialistische liederen. De menigte werd uiteengedreven “door de politie, die met getrokken sabel was opgetreden.” 

In de zomer van 1906 verkocht Jan zijn deel van het trekschip aan Minne van Smeden en Jan Heidema voor 109 gulden, wat nu neer zou komen op iets meer dan € 1300. Hij werd koopman van beroep. Dat was niet zo gek, want onder andere zijn schoonvader en zijn zwager waren koopman. Een koopman was iemand die goederen opkocht, om ze vervolgens weer met winst te verkopen zonder ze actief aan de man te brengen, zoals een winkelier dat deed. Het beroep van koopman is een van de oudste beroepen in de wereld, samen met de prostituee.

Maar de eerste twintig jaar van de nieuwe eeuw stonden ook in het teken van verlies en verdriet. In 1906 overleed zijn zuster Anna en in 1911 zijn zuster Hylkje. Het jaar 1919 was ronduit een rampjaar, want op dinsdag 2 september 1919 overleed Jan’s vader en op vrijdag 26 september zijn zuster Janke. Een jaar later, in november 1920, overleed Anna, zijn dochter. Anna was ongetrouwd, waarmee er een einde komt aan deze tak in de stamboom.

Jan overleed op woensdag 24 februari 1937, des voormiddags te half twee uur, op Schilcampen 11 te Franeker. Jan Johannes Deelstra werd 73 jaar oud en hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats van Franeker.

Overlijden Jan

Zijn vrouw Wijtske zou hem nog een aantal jaren overleven en zou de eerste jaren van de tweede wereldoorlog nog meemaken. Ze werd uiteindelijk opgenomen in het ziekenhuisje op de Prins Mauritsstraat 4 in Franeker. Daar overleed ze op donderdag 14 mei 1942, des voormiddags te negen uur. Wijtske Ydes Tamminga werd 75 jaar. Ze werd bijgezet in het graf van haar man. De tijd en de elementen hebben de grafsteen afgesleten en de woorden vrijwel geheel gewist.

Overlijden Wijtske

Graf Jan en Wijtske