DIJKSTRA

Het Lege Huis

Boedel 01

Het is doodstil in huis en het ruikt er muf. De meubels, kleedjes en uitgestalde serviezen zijn stille getuigen van orde en netheid. Poetsen en boenen, dat was haar lust en haar leven. Nu zal alles waar ze zo zuinig op was in vuilniszakken en containers verdwijnen. Dieven in de nacht zijn wij, schurken.
Ik open een kast en staar naar de stapels handdoeken. Voorzichtig pak ik er een paar uit. ‘Hier heb ik me als kind nog mee afgedroogd,’ zeg ik tegen mijn broer. Ze heeft ze allemaal bewaard, een leven in handdoeken. Er is geen tijd om er bij stil te staan, we moeten door. Ik graai door haar leven en smijt de spullen nu met stapels tegelijk in vuilniszakken. Een paar dagen geleden zijn we hier geweest om wat spulletjes te verdelen. ‘Neem mee wat je leuk vindt, anders gaat het maar weg,’ zeiden we. Een kastje, een olielamp, een klok en een vaasje zijn apart gezet. Sieraden en andere waardevolle spullen hebben we in dozen gedaan. Die komen in de schuur, om later nog maar eens uit te zoeken. ‘Je wilt alles wel bewaren, maar wat moet je ermee,’ zegt mijn broer. Dit huis vol herinneringen, het glipt ons door de vingers.
Op de bovenverdieping ploegen we door de kledingkasten. Zak na zak wordt gevuld. Die gaan naar mijn schoonzus en vervolgens naar Polen. Raar idee eigenlijk, dat wildvreemden de kleren van mijn moeder zullen dragen. Ze moest eens weten.
‘Boven is nu alles leeg, het schiet lekker op,’ zeg ik. Smakeloze woorden. We gaan naar beneden, naar haar slaapkamer waar twee schilderijtjes aan de muur hangen. Meeuwen op het strand. Die heb ik voor haar gekocht toen ik dertien was. Gekocht van mijn zakgeld, voor moederdag. Niet uit liefde, maar in de hoop dat ze wat minder lelijk tegen me zou doen. Maar ze liet zich niet omkopen, door niemand niet. En toch hangen ze hier, voor altijd bewaard.
We lopen heen en weer naar de container waar haar spullen zich opstapelen. De afvalberg van haar bestaan. De overgebleven meubeltjes gaan naar een collega die er iets goeds mee zal doen. Tegen beter weten in hebben we nog gezocht naar de witte foto-albums. De Expo in Brussel, 1958. Vader, in een parelwit overhemd, de mouwen hoog opgerold, lachend naar de camera. Zo jong nog, zo onherkenbaar jong. We zoeken, maar vinden niets. Ze heeft de albums weggegooid, het verleden gewist. Wat rest is de herinnering aan die tijdloze foto’s. Maar herinneringen kun je niet afdrukken. Ansichtkaarten vinden we wel, een hele doos vol. Verjaardags- en Kerstkaarten die ze in de loop der jaren heeft ontvangen. Met zorg bewaard, soms in stapeltjes met een strik erom. Trofeeën van geluk, van het niet vergeten zijn. Zwijgend laten we ze in de vuilniszak glijden.
Het is gedaan. In nog geen acht uur tijd hebben we negentig levensjaren opgeruimd. Beduusd lopen we nog een keer het huis door, waar de leegte sprakeloos op ons neerkijkt. Het klinkt er hol en berooft. Straks zal hier iemand wonen die niets weet van de eenzame jaren die hier zijn doorleefd. Van de woorden die hier zijn gesproken, de tranen die er zijn gevloeid. Haar ouders en schoonouders, de vele broers en zusters en haar man; ze zijn er allemaal niet meer. Wij zijn de laatste ooggetuigen van haar leven. En als wij er straks niet meer zijn, zullen ook de herinneringen die wij nu uit haar huis hebben meegenomen, in een vuilniszak verdwijnen. Alsof zij nooit heeft geleefd, nooit heeft bestaan.

Advertenties