Algemeen

Twitteren Anno 1920

Wie denkt dat Twitteren iets van de 21e eeuw is, heeft het mis. Twitteren deed men honderd jaar geleden ook al. Goed, men was toen nog niet zo mobiel, dus men Twitterde in de krant. Zo was de Volksvriend (1874-1951) een Nederlandstalige krant die in Amerika werd uitgegeven. Een van de vaste rubrieken in deze krant heette Correspondentie. Hierin werden wekelijks allerlei ditjes en datjes uitgewisseld. De tekstjes waren extreem kort, veelal niet langer dan een enkele zin en bedoeld voor de goede verstaander. Bijvoorbeeld: Mrs. Jonker is een paar dagen op bezoek bij haar familie. Of: Mr. Abma heeft een farm gekocht. Soms zijn ze ronduit verwarrend, dan weer zijn ze onbedoeld grappig door het (verouderde) taalgebruik. Een kleine bloemlezing:

  • Ten huize van G. Vrieze arriveerde een splinternieuw dochtertje.
  • Het is den laatsten tijd mooi weer geweest, maar nu lijkt het niet zoo mooi.
  • Hier preekte dominee Mars. Vele gemeente leden zijn verkwikt en versterkt; eenige anderen zijn uit de wereld tot Christus geleid.
  • Nieuwe tanden zijn lang altijd geen plezier. Bennie Ykema kan er nu ook van meepraten.
  • Velen zijn druk met verhuizen. Dat beteekent ook wat met zulke wegen!
  • Emil Sando’s handen zijn in zooverre hersteld, dat hij nu als taxateur dienst doet.
  • Mrs. Bode in China aangekomen. Op haar reis had zij een grooten storm ontmoet.
  • Mr & Mrs Kleinjan gingen met hun kindje naar Marshalltown; de kleine is geboren met een gewas in de nek.
  • Mr. J. de Jong had het ongeluk zijn arm te breken met ’t opwinden van de auto.
  • Mrs. Klontz, moeder van den blinden Willem, overleed zaterdag. Zij was ook blind.
  • Joe Keeman reed met zijn auto in de greppel bij de boterfabriek; hij was niet bezeerd, maar de auto brandde geheel op.
  • De meeste cornvelden staan mooi, andere velden staan minder mooi.
  • Buren en gezin vertrokken naar South Dakota om te boeren.
  • Mrs. Redeker werd iets uit de keel genomen: geen haar, zooals ’n vorige keer gemeld werd.
  • Aangenaam weder tegenwoordig.
Advertenties

Hieper-de-Pieper

AardtopWat de boer niet kent dat vreet hij niet, luidt een Nederlands gezegde. En dat gold vooral voor aardappels. Die waren in de 17e eeuw vanuit Zuid Amerika in Europa opgedoken, maar de boeren wilden er niets van weten. De knollen waren lelijk, met wratachtige, schurftige plekken en ze roken ook nog eens nergens naar. Men was ervan overtuigd dat de aardappel tering (tuberculose), lepra en syfilis kon veroorzaken. Ook winderigheid werd aan aardappels toegeschreven. De aardappel werd dan ook overal in Nederland als varkensvoer gebruikt. Pas in 1727 waren het de Friezen die aardappels gingen verbouwen. Niet omdat Friesland zo vooruitstrevend was op het gebied van droogkokers en eigenheimers; het was een keuze door honger gedreven. Want wie letterlijk dreigde te sterven van de honger, was zelfs bereid het varkensvoedsel te eten. We waren tenslotte geen Russen, die in diezelfde periode pertinent de aardappel de rug toekeerden en bij duizenden stierven. Het was dus zeker niet liefde op het eerste gezicht, maar in amper honderd jaar tijd zou de aardappel uitgroeien tot volksvoedsel nummer 1.

Wie de eerste zak aardappelen van Zuid-Amerika naar Europa heeft gebracht, is nog altijd een discussiepunt. Feit is dat de Spanjaarden de aardappel ontdekten toen ze het machtige Inca rijk onder de voet liepen. In de meeste keukens in Nederland is dus van tijd tot tijd wel een stukje Inca te vinden. De Ieren waren de eersten in Europa die de aardappelen op grote schaal gingen verbouwen. Hier in Nederland ging het nog gewoon de varkenstrog in; bij de Ieren was het dagelijkse kost. Volgens hen spoelden de eerste aardappels aan land uit Spaanse schepen die voor de Ierse kust schipbreuk hadden geleden. Dat was nog eens strandjutten.

Arrd2

Tussen 1840 en 1850 werden grote delen van Europa getroffen door de aardappelziekte. Het begon in 1845 en 1846, toen het virus 90% van de oogst vernietigde. In het jaar 18147 was het extreem droog, waardoor de oogst voor de derde keer op rij verloren ging. In datzelfde jaar brak er ook nog eens een grote tyfus epidemie uit, een ziekte die tot dan toe volledig onbekend was. Was 1847 te droog, het jaar 1848 spoelde de oogst vrijwel weg door regens. Aan het einde van het jaar brak er een cholera epidemie uit. In 1849 volgde het absolute dieptepunt en was Ierland totaal bankroet. Mensen die hun huur niet meer konden betalen werden zonder pardon op straat gezet en overal in Europa braken oproeren uit (de hongeroorlog of aardappeloproer). Naar schatting een miljoen Ieren stierven de hongerdood en twee miljoen emigreerden naar Amerika en Engeland. In Nederland werd vooral de provincie Groningen getroffen. Pas na 1850 zou de situatie weer beter worden.

Even Een Wasje Draaien In 1850

Was1

Voor een eenvoudige huisvrouw in het midden van de 19e eeuw begon de maandag om vier uur in de ochtend. Had zij een groot gezin, dan werd geadviseerd de dag nog twee uur eerder te beginnen, zodat andere huishoudelijke taken niet in het gedrang kwamen. In de waskeuken werden eerst de grote tobbes met water gevuld. In het huis was zelden een handpomp aanwezig, dus moest het water uit een put Wasstokof ton, of soms zelfs uit de nabijgelegen beek of rivier gehaald worden. Alles bij elkaar waren er die maandag 58 forse emmers water nodig, en dat was dan nog maar voor een gezin van drie. De ovens onder de tobbes werden aangestoken en al snel vulde de waskeuken zich met stoom. Daarna werd alle wasgoed gesorteerd: wit, bont, fijn, een aparte stapel waar verstelwerk voor nodig was en een stapel wasgoed met vlekken. Elke vlek had zo zijn eigen recept. Zo werden inktvlekken verwijderd met melk, fruitvlekken met boter en schimmelvlekken met citroen. Nadat elke vlek afzonderlijk behandeld was, ging het wasgoed de dampende tobbes in en moest het vervolgens rondgedraaid en gemangeld worden met een wasstok. Dit was een lange stok, met onderin houten tanden. Het was zwaar werk en op den duur bijzonder pijnlijk voor schouders, armen en rug. Ter vergelijking: zelfs onze moderne wasmachine heeft al gauw tussen één en twee uur nodig om de was schoon te krijgen, en tijdens het wassen maakt de trommel oneindig veel rotaties. Diezelfde rotaties moesten vroeger met de hand worden gemaakt (het wasbord was in 1833 uitgevonden, maar zou pas na 1850 populair worden). Niet alleen moesten de tobbes om de zoveel tijd met schoon water gevuld worden, het wasgoed zelf werd ook meerdere malen geweekt en gewassen. Een goede huisvrouw waste elk stukje wasgoed driemaal voordat het uiteindelijk schoon genoeg was.

Op de tweede dag werden de kledingstukken bewerkt met stijfsel; het zogenaamde stijven van kleding. Dit werd gedaan om de kleding zijn stevigheid terug te geven. Daarna moest alle wasgoed andermaal uitgewrongen worden. De wringer (of mangel) kwam halverwege de 19e eeuw pas op de markt en dus haalde men in 1850 nog niets (of niemand) door de mangel. Linnen werd uitgespreid op het grasveld (ofwel: bleekveld), omdat er na het wassen vaak een gelige kleur op het wasgoed achterbleef. De zon bleekte die eruit en maakte het linnen lichter van kleur.

Bleekveld

Op de derde dag werd het wasgoed gestreken. Een strijkplank bestond nog niet, dus werd er een laken over tafel gelegd en daarop gestreken. Een strijkijzer was er wel, maar nog geen stroom. Het strijkijzer werd op een vuur verhit of kon worden gevuld met gloeiende kooltjes. In beide gevallen was strijken een tijdrovende bezigheid en was er altijd het risico op brandwonden. Op maandag begon de hele cyclus weer van voren af aan.