Algemeen

HOORT ZEGT HET VOORT

stadsomroeper

De stads- of dorpsomroeper sloeg op zijn koperen bekken en het galmende geluid lokte meer nieuwsgierigen dan den muziek van den rondwandelenden orgelman. De kuiper, de smid, de winkeljuffrouw en de keukenmeid braken, als bij wederzijdsch akkoord, hun handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals luisteren. Overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn. De omroeper sprak met langzame, slepende, eentoonige, maar toch luide en verstaanbare stem. Hij bracht nieuws over een aankomende vergadering of verkoping, de aankomst van een schip met turf, genomen besluiten en nieuwe wetten. Niet zelden was het nieuws droevig of alarmerend: een vermist kind, een levenloos lichaam in de sloot of voortvluchtige boosdoeners die niet veel goeds in de zin hadden. Dergelijk nieuws prikkelde de nieuwsgierigheid van boeren, burgers en buitenlui en het was genoeg om veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven. Eeuwenlang werd er naar hem geluisterd, maar de opkomst van (betaalbare) kranten en het terugdringen van het analfabetisme snoerden hem de mond. Toch waren er in de 20e eeuw nog stadsomroepers (de laatste hield het in 1964 voor gezien). Maar zijn rol in de gemeenschap was veranderd. Zelden lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster. Hij was een figuur uit het verleden, een herinnering aan vroeger tijden. Hij was oud nieuws.

Advertenties

DE LANGE ARM DER WET

De lange arm der wet was in de 19e eeuw echt verbluffend lang. Mannen, vrouwen en zelfs kinderen moesten op hun tellen passen, want er was niet veel voor nodig om door een veldwachter in de kraag gevat te worden. Zo kon een kind worden opgepakt voor het maken van een glijdbaan op de openbare straat of voor het werpen met sneeuwballen. Sneeuwpret had zijn prijs, want op beide overtredingen stond een boete van 1 gulden. En wie dat niet kon betalen, ging een dag de gevangenis in. Het klimmen in een boom behoorende tot het openbaar plantsoen leverde dezelfde straf op, net als het spelen met geld op de openbare straat. Kon niet, mocht niet, was verboden. En er stond een boete van maar liefst 3 gulden (of 2 dagen brommen zo u wilt) voor het smijten met steenen over eene omheining van een tuin.

Vrouwen waren eeuwenlang aan huis gebonden, dus je zou verwachten dat ze weinig verkeerd konden doen. Maar ook voor een huisvrouw loerde er overal gevaar. Zo kon zij een boete of een gevangenisstraf tegemoet zien voor het uitkloppen van kleeden anders dan des voormiddags tot 12 uur of voor het schrobben van de openbare straat na 12 uur. Ook het plaatsen van een linnenrak op de openbare straat werd niet gewaardeerd. Wij schromen dan misschien om de vuile was buiten te hangen, in de 19e eeuw ging je de bak in als je de schone was buiten hing. Soms vroeg zo’n vrouw ook echt om problemen. Bijvoorbeeld door het ledigen van een emmer gevuld met uitwerpselen op het ijs of nog erger: het ledigen van een emmer secreetmest in het openbaar water. Waarbij het woord secreet trouwens verwijst naar de beerput en niet naar de vrouw in kwestie.

Prison-001

Mannen hadden het ook niet makkelijk. Voor het niet tijdig strijken van de zeilen bijvoorbeeld moest je een boete van 2 gulden betalen (of 1 dag zitten). Het met de kruiwagen over de klinkersteenen rijden was ook verboden, net als het visschen in eens anders vischwater. Dat laatste kostte je 3 piek of 2 dagen. Het veroorzaken van nachtgerucht werd je ook niet in dank afgenomen: vijf en een halve gulden boete of drie dagen. Maar dat was nog niets vergeleken bij het het niet binnen den bij wet bepaalde termijn aangifte doen van de geboorte van een kind. Acht gulden boete mijnheer. Zo goed het hebben van meer dan 25 kilogram buskruid in huis gestraft werd met 25 gulden boete of 5 dagen gevangenisstraf. Och, het was een tijd van korte lontjes.

De lange arm der wet was zo lang, dat zelfs veldwachters op hun hoede moesten zijn. Zo werden er in mei 1878 een paar kerels opgepakt wegens ordeverstoring en het drinken na sluitingstijd. In de rechtbank echter beklaagden de beklaagden zich over de veldwachter die hen had gearresteerd. Die was, zo beweerden de mannen althans, zelf dronken geweest. Het moet niet gekker worden. Maar bij de rechtzitting bleek dat de veldwachter iemand was die zoodanig spreekt, loopt en handelt, dat men den indruk kan krijgen dat hij dronken is zonder dat zulks het geval is. Een merkwaardige uitleg, zeker omdat de veldwachter in kwestie toegaf die avond twee slokjes te hebben gebruikt. De rechter concludeerde ferm dat de veldwachter niet bij zijn volle bewustzijn was toen het voorval plaatsvond.

Twitteren Anno 1920

Wie denkt dat Twitteren iets van de 21e eeuw is, heeft het mis. Twitteren deed men honderd jaar geleden ook al. Goed, men was toen nog niet zo mobiel, dus men Twitterde in de krant. Zo was de Volksvriend (1874-1951) een Nederlandstalige krant die in Amerika werd uitgegeven. Een van de vaste rubrieken in deze krant heette Correspondentie. Hierin werden wekelijks allerlei ditjes en datjes uitgewisseld. De tekstjes waren extreem kort, veelal niet langer dan een enkele zin en bedoeld voor de goede verstaander. Bijvoorbeeld: Mrs. Jonker is een paar dagen op bezoek bij haar familie. Of: Mr. Abma heeft een farm gekocht. Soms zijn ze ronduit verwarrend, dan weer zijn ze onbedoeld grappig door het (verouderde) taalgebruik. Een kleine bloemlezing:

  • Ten huize van G. Vrieze arriveerde een splinternieuw dochtertje.
  • Het is den laatsten tijd mooi weer geweest, maar nu lijkt het niet zoo mooi.
  • Hier preekte dominee Mars. Vele gemeente leden zijn verkwikt en versterkt; eenige anderen zijn uit de wereld tot Christus geleid.
  • Nieuwe tanden zijn lang altijd geen plezier. Bennie Ykema kan er nu ook van meepraten.
  • Velen zijn druk met verhuizen. Dat beteekent ook wat met zulke wegen!
  • Emil Sando’s handen zijn in zooverre hersteld, dat hij nu als taxateur dienst doet.
  • Mrs. Bode in China aangekomen. Op haar reis had zij een grooten storm ontmoet.
  • Mr & Mrs Kleinjan gingen met hun kindje naar Marshalltown; de kleine is geboren met een gewas in de nek.
  • Mr. J. de Jong had het ongeluk zijn arm te breken met ’t opwinden van de auto.
  • Mrs. Klontz, moeder van den blinden Willem, overleed zaterdag. Zij was ook blind.
  • Joe Keeman reed met zijn auto in de greppel bij de boterfabriek; hij was niet bezeerd, maar de auto brandde geheel op.
  • De meeste cornvelden staan mooi, andere velden staan minder mooi.
  • Buren en gezin vertrokken naar South Dakota om te boeren.
  • Mrs. Redeker werd iets uit de keel genomen: geen haar, zooals ’n vorige keer gemeld werd.
  • Aangenaam weder tegenwoordig.

De Watersnoodramp van 1825

Storm

Dinsdag 1 februari 1825 was een zachte, bijna zwoele dag. Op donderdag 3 februari 1825 echter begon het te stormen en zakte de temperatuur naar het vriespunt. Tot overmaat van ramp was het volle maan: springtij. Op de avond van de 3e februari steeg het water met 30 centimeter per uur. Toch leek alles rond middernacht nog onder controle. Maar toen kwam er “een woedende Buy met Sneeuw vergezelt” die het water nogmaals deed stijgen. Maar het was niet sneeuw alleen, het hagelde en onweerde ook. In de dorpen werden de noodklokken geluid. Sommige bewoners probeerden nog iets van hun huisraad te redden, anderen probeerden een goed heenkomen te zoeken. Er werd geschreeuwd en gehuild; de paniek was enorm. Alleen al in het Noord-Westen van Overijssel braken de dijken op 22 verschillende plaatsen door. Ook Drente, Friesland en Gelderland werden getroffen. Overal stortte het water zich met een allesvernietigende kracht het land in. Huizen werden weggeslagen, het vee verdronk, landbouw- en turfgronden spoelden weg.

In het dorp Verlaat zag men de volgende namiddag een rietendak op het kolkende water drijven met daarop “twintig personen, zoo mannen, vrouwen als kinderen”. Toen brak “het dak in tweeën en het grootste gedeelte, waarop zich elf menschen bevonden, dreef te Zuidveen aan land”. Tien mensen waren nog in leven, maar “eene vrouw door koude verkleumd” was reeds overleden. De mensen op het andere gedeelte van het afgebroken dak “zijn ten prooi der golven geworden”. In Steenwijk klommen negen mensen in doodsnood bovenop een waterrad. Rondom hen golfde het ijskoude water. Zij “hebben aldaar 18 uren in den verschrikkelijksten angsten doorgebragt; eenigen, vooral de kinderen, door honger gefolterd”. Alle negen werden uiteindelijk door vissers gered.

Vlakbij Giethoorn had men “eene vrouw gevonden, met drie kinderen in hare armen, waaronder eene van zestien weken, bijna naakt, aan de borst der doode moeder liggende, welk kind nog in in leven was”. 

g7g8

In Echten, vlakbij de zee, woonden Hendrik Huisman en zijn vrouw Margjen Luitjes met hun vijf kinderen. Margjen was zwanger van de zesde en liep op haar laatste dagen. De vroedvrouw was al overgekomen. Op vrijdag 4 februari 1825, om half vier in de namiddag, braken de dijken en “kwam het zeewater met verschrikkelijk geweld aangolven”. Het gezin verschanste zich in huis, maar gaandeweg de avond begon het water meer en meer te stijgen. Een zijmuur stortte in, net als de huizen van hun buren. In paniek klommen ze in een (turf) praam en brachten daar het grootste deel van de nacht door, blootgesteld aan de ijzige koude, de woeste golven en het onweer. En zo beviel beviel Margjen die nacht van haar zesde kind. “De ellendige toestand dezer vrouw is met geene woorden uit te drukken, want dit kind werd geboren in een open vaartuig, waarin twee en twintig mensen zich bevonden; in eene felle koude met hevige sneeuwjagt vergezelt”. Er was slechts “één linnen doek” aan boord om dit “arm schepseltje” te behoeden tegen de kou. De volgende dag werden ze gered. Moeder Margjen zou volledig herstellen, maar haar pas geboren kindje overleed een paar weken later.

Luite Klazen van der Schoot uit Nijeholtwolde was 81 jaar oud toen hij zijn been brak. Tijdens die vreselijke nacht lag hij “hulpeloos op zijne legerstede en voelde het water telkens hooger stijgen”. Door zijn gebroken been kon hij niet zelfstandig uit bed komen en “eene oude vrouw en een klein meisje, zijne eenigste huisgenoten” waren niet bij machte om hem te helpen. Luite verdronk in bed.

Onder de slachtoffers waren ook een aantal voorouders. Zo was Wimke Jans Bron getrouwd met Klaas Jans Deine en hadden ze samen één zoontje. Wimke en haar zoontje werden die nacht door de golven meegesleurd. Na de storm zocht Klaas onvermoeibaar naar hun lichamen. Op maandag 21 februari 1825, dus ruim twee weken na de watersnood, vonden hij en Jan Lolkes Deinen uit Blesdijke, de stoffelijke overschotten. In de overlijdensakte staat dat zij gisteravond om 4 uur hebben gevonden het lijk van de vrouw van de eerst genoemde (dat was Klaas) genaamd Wimke Jans Bron, oud 23 jaar, geboren te Wolvega, alsmede het zoontje van de eerstgenoemde en zijn huisvrouw, genaamd Jan, oud 39 weken, welke in de watersnood zijn omgekomen en onder Steenwijkerwold zijn gevonden. Wimke heeft het niet geweten, maar ook haar jongere zusje Sjoekje Jans Bron (5 jaar oud) zou de ramp niet overleven. Haar lichaampje werd pas op maandag 21 maart 1825 gevonden.

Water

Hieper-de-Pieper

AardtopWat de boer niet kent dat vreet hij niet, luidt een Nederlands gezegde. En dat gold vooral voor aardappels. Die waren in de 17e eeuw vanuit Zuid Amerika in Europa opgedoken, maar de boeren wilden er niets van weten. De knollen waren lelijk, met wratachtige, schurftige plekken en ze roken ook nog eens nergens naar. Men was ervan overtuigd dat de aardappel tering (tuberculose), lepra en syfilis kon veroorzaken. Ook winderigheid werd aan aardappels toegeschreven. De aardappel werd dan ook overal in Nederland als varkensvoer gebruikt. Pas in 1727 waren het de Friezen die aardappels gingen verbouwen. Niet omdat Friesland zo vooruitstrevend was op het gebied van droogkokers en eigenheimers; het was een keuze door honger gedreven. Want wie letterlijk dreigde te sterven van de honger, was zelfs bereid het varkensvoedsel te eten. We waren tenslotte geen Russen, die in diezelfde periode pertinent de aardappel de rug toekeerden en bij duizenden stierven. Het was dus zeker niet liefde op het eerste gezicht, maar in amper honderd jaar tijd zou de aardappel uitgroeien tot volksvoedsel nummer 1.

Wie de eerste zak aardappelen van Zuid-Amerika naar Europa heeft gebracht, is nog altijd een discussiepunt. Feit is dat de Spanjaarden de aardappel ontdekten toen ze het machtige Inca rijk onder de voet liepen. In de meeste keukens in Nederland is dus van tijd tot tijd wel een stukje Inca te vinden. De Ieren waren de eersten in Europa die de aardappelen op grote schaal gingen verbouwen. Hier in Nederland ging het nog gewoon de varkenstrog in; bij de Ieren was het dagelijkse kost. Volgens hen spoelden de eerste aardappels aan land uit Spaanse schepen die voor de Ierse kust schipbreuk hadden geleden. Dat was nog eens strandjutten.

Arrd2

Tussen 1840 en 1850 werden grote delen van Europa getroffen door de aardappelziekte. Het begon in 1845 en 1846, toen het virus 90% van de oogst vernietigde. In het jaar 18147 was het extreem droog, waardoor de oogst voor de derde keer op rij verloren ging. In datzelfde jaar brak er ook nog eens een grote tyfus epidemie uit, een ziekte die tot dan toe volledig onbekend was. Was 1847 te droog, het jaar 1848 spoelde de oogst vrijwel weg door regens. Aan het einde van het jaar brak er een cholera epidemie uit. In 1849 volgde het absolute dieptepunt en was Ierland totaal bankroet. Mensen die hun huur niet meer konden betalen werden zonder pardon op straat gezet en overal in Europa braken oproeren uit (de hongeroorlog of aardappeloproer). Naar schatting een miljoen Ieren stierven de hongerdood en twee miljoen emigreerden naar Amerika en Engeland. In Nederland werd vooral de provincie Groningen getroffen. Pas na 1850 zou de situatie weer beter worden.

Even Een Wasje Draaien In 1850

Was1

Voor een eenvoudige huisvrouw in het midden van de 19e eeuw begon de maandag om vier uur in de ochtend. Had zij een groot gezin, dan werd geadviseerd de dag nog twee uur eerder te beginnen, zodat andere huishoudelijke taken niet in het gedrang kwamen. In de waskeuken werden eerst de grote tobbes met water gevuld. In het huis was zelden een handpomp aanwezig, dus moest het water uit een put Wasstokof ton, of soms zelfs uit de nabijgelegen beek of rivier gehaald worden. Alles bij elkaar waren er die maandag 58 forse emmers water nodig, en dat was dan nog maar voor een gezin van drie. De ovens onder de tobbes werden aangestoken en al snel vulde de waskeuken zich met stoom. Daarna werd alle wasgoed gesorteerd: wit, bont, fijn, een aparte stapel waar verstelwerk voor nodig was en een stapel wasgoed met vlekken. Elke vlek had zo zijn eigen recept. Zo werden inktvlekken verwijderd met melk, fruitvlekken met boter en schimmelvlekken met citroen. Nadat elke vlek afzonderlijk behandeld was, ging het wasgoed de dampende tobbes in en moest het vervolgens rondgedraaid en gemangeld worden met een wasstok. Dit was een lange stok, met onderin houten tanden. Het was zwaar werk en op den duur bijzonder pijnlijk voor schouders, armen en rug. Ter vergelijking: zelfs onze moderne wasmachine heeft al gauw tussen één en twee uur nodig om de was schoon te krijgen, en tijdens het wassen maakt de trommel oneindig veel rotaties. Diezelfde rotaties moesten vroeger met de hand worden gemaakt (het wasbord was in 1833 uitgevonden, maar zou pas na 1850 populair worden). Niet alleen moesten de tobbes om de zoveel tijd met schoon water gevuld worden, het wasgoed zelf werd ook meerdere malen geweekt en gewassen. Een goede huisvrouw waste elk stukje wasgoed driemaal voordat het uiteindelijk schoon genoeg was.

Op de tweede dag werden de kledingstukken bewerkt met stijfsel; het zogenaamde stijven van kleding. Dit werd gedaan om de kleding zijn stevigheid terug te geven. Daarna moest alle wasgoed andermaal uitgewrongen worden. De wringer (of mangel) kwam halverwege de 19e eeuw pas op de markt en dus haalde men in 1850 nog niets (of niemand) door de mangel. Linnen werd uitgespreid op het grasveld (ofwel: bleekveld), omdat er na het wassen vaak een gelige kleur op het wasgoed achterbleef. De zon bleekte die eruit en maakte het linnen lichter van kleur.

Bleekveld

Op de derde dag werd het wasgoed gestreken. Een strijkplank bestond nog niet, dus werd er een laken over tafel gelegd en daarop gestreken. Een strijkijzer was er wel, maar nog geen stroom. Het strijkijzer werd op een vuur verhit of kon worden gevuld met gloeiende kooltjes. In beide gevallen was strijken een tijdrovende bezigheid en was er altijd het risico op brandwonden. Op maandag begon de hele cyclus weer van voren af aan.

Geboorte

Geburt3

Eva verleidde Adam in het aards paradijs. En zo werd de vrouw eeuwenlang met onreinheid in verband gebracht. Een man werd dan ook niet geacht bij een bevalling aanwezig te zijn. Wat er zich achter gesloten deuren in de kraamkamer afspeelde was taboe. In 1552 verkleedde dr. Wertt uit Hamburg zich als vrouw om een bevalling met eigen ogen te kunnen zien. Hij werd betrapt, veroordeeld en op de brandstapel gezet. Het was dus echt een heet hangijzer, zogezegd. Dat bleef het tot ver in de 20e eeuw, want de vraag waar de kinderen vandaan kwamen was een uiterst ongemakkelijk onderwerp. En zo werden er allerlei fabeltjes verzonnen om de herkomst van kinderen te verklaren:

  • ze werden uit de boom geplukt
  • ze kwamen uit het riet
  • of uit een bron
  • een gracht
  • een put
  • ze lagen in de duinen
  • ze werden gebracht door de vloed
  • of een schip
  • ze werden gemaakt door dokters
  • ze werden gekocht op de markt

En uiteraard kwamen ze uit de kool. Had het kind rossig haar dan kwam het uit de rode kool, was het blond dan kwam het uit een witte kool. Apekool natuurlijk, weten we nu. De ooievaar was ook populair en wordt ook nu nog als symbool op geboortekaartjes gebruikt.

ooievaar vliegt

Voor de wetenschap was de zwangerschap lange tijd een groot mysterie, en zo werden allerlei bakerpraatjes voor waar aangenomen. Dronk de vrouw een glas azijn per dag, dan werd het kind mager. Boter maakte het kind blozend. Rauwe wortelen eten of het dragen van blauwe kleding stonden garant voor het krijgen van een zoon. Zag de vrouw tijdens haar zwangerschap een haas wegspringen, dan was de kans groot dat het kind een hazenlip zou krijgen. Schrok de vrouw van iets lelijks of naars, dan was dat zeer nadelig voor het nog ongeboren kind. Schrok ze toch (zat de schrik erin, zullen we maar zeggen), dan moest ze ervoor zorgen dat ze haar lichaam niet aanraakte met haar hand. Deed ze dat wel, dan kreeg het kind een wijnvlek.

De geboortedag kon ook allerlei voorspoed of tegenslag betekenen. Wie op woensdag of zondag ter wereld kwam, kon rekenen op een gelukkig leven. Wie echter het noodlot had op vrijdag geboren te worden, zou spoedig sterven. Als het kind geboren was legde de baker (vaak een buurvrouw) de baby in de luren. Er werd een doek om het hoofdje gebonden dat de fontanel moest beschermen. Vervolgens ging er een linnen doek en een wollen luier om het hele lijfje en tenslotte een zwachtel van de voeten tot de oksel, zodat het kind de benen niet kon bewegen.

Direct na de geboorte werd een geboorteklopper aan de deur opgehangen; een kanten handwerkje met een papiertje erin als er een meisje geboren was. De geboorte van een jongen kwam zonder papieren. Het kloppertje zorgde er ook voor dat verzoeken om geld (uitstaande rekeningen) tot nader order opgeschort werden. Familie en buren stroomden vrijwel direct na de geboorte de kraamkamer binnen. Dat zorgde soms voor wilde taferelen, zoals een dominee in 1743 noteerde: zoals aanstonds na de geboorte het kraamhuis vervuld werd met ijselijk geschreeuw, getier, geroep, gepaard gaande met zondige danserijen. De kraamvisite kreeg kandeel ingeschonken (brandewijn met kaneel, kruidnagelen en rauwe eieren), de kinderen kregen suikerbollen of gesuikerde boterhammen. Vanaf 1860 werd de beschuit met muisjes populair, een traditie die nu ruim 150 jaar bestaat.

beschuit-met-muisjes