Auteur: jandoede

VERHUIZING

Alles op deze website zal uiteindelijk worden overgezet naar een nieuwe. De Deelstra- en Bron families zijn klaar, nu de Bruinsma en Dijkstra gegevens nog. Vrijwel alle profielen worden herschreven voordat ze op de nieuwe site gezet worden. Vandaar dat het nog wel even gaat duren voordat de verhuizing klaar is. Ik ben momenteel bezig met de Bruinsma familie, dus hier wordt het lijstje met namen alsmaar kleiner, en op de nieuwe website alsmaar groter.

 

Advertenties

GRASMAAND 1811

Toen Oene Jans (Werkstra) in mei 1811 met Aukjen Arends (Bron) wilde trouwen, had hij een uittreksel uit het Doopregister nodig. Dat uittreksel kwam er, getekend op 26 van Grasmaand 1811. Iedereen wist welke maand daarmee bedoeld werd. Net zo goed ook iedereen wist wanneer de Louwmaand was, of de Slachtmaand. Dus om ons geheugen weer even op te frissen:

Louwmaand – Januari
Sprokkelmaand – Februari
Lentemaand – Maart
Grasmaand – April
Bloeimaand- Mei
Zomermaand – Juni
Hooimaand – Juli
Oogstmaand – Augustus
Herfstmaand – September
Wijnmaand – Oktober
Slachtmaand – November
Wintermaand – December

Twitteren Anno 1920

Wie denkt dat Twitteren iets van de 21e eeuw is, heeft het mis. Twitteren deed men honderd jaar geleden ook al. Goed, men was toen nog niet zo mobiel, dus men Twitterde in de krant. Zo was de Volksvriend (1874-1951) een Nederlandstalige krant die in Amerika werd uitgegeven. Een van de vaste rubrieken in deze krant heette Correspondentie. Hierin werden wekelijks allerlei ditjes en datjes uitgewisseld. De tekstjes waren extreem kort, veelal niet langer dan een enkele zin en bedoeld voor de goede verstaander. Bijvoorbeeld: Mrs. Jonker is een paar dagen op bezoek bij haar familie. Of: Mr. Abma heeft een farm gekocht. Soms zijn ze ronduit verwarrend, dan weer zijn ze onbedoeld grappig door het (verouderde) taalgebruik. Een kleine bloemlezing:

  • Ten huize van G. Vrieze arriveerde een splinternieuw dochtertje.
  • Het is den laatsten tijd mooi weer geweest, maar nu lijkt het niet zoo mooi.
  • Hier preekte dominee Mars. Vele gemeente leden zijn verkwikt en versterkt; eenige anderen zijn uit de wereld tot Christus geleid.
  • Nieuwe tanden zijn lang altijd geen plezier. Bennie Ykema kan er nu ook van meepraten.
  • Velen zijn druk met verhuizen. Dat beteekent ook wat met zulke wegen!
  • Emil Sando’s handen zijn in zooverre hersteld, dat hij nu als taxateur dienst doet.
  • Mrs. Bode in China aangekomen. Op haar reis had zij een grooten storm ontmoet.
  • Mr & Mrs Kleinjan gingen met hun kindje naar Marshalltown; de kleine is geboren met een gewas in de nek.
  • Mr. J. de Jong had het ongeluk zijn arm te breken met ’t opwinden van de auto.
  • Mrs. Klontz, moeder van den blinden Willem, overleed zaterdag. Zij was ook blind.
  • Joe Keeman reed met zijn auto in de greppel bij de boterfabriek; hij was niet bezeerd, maar de auto brandde geheel op.
  • De meeste cornvelden staan mooi, andere velden staan minder mooi.
  • Buren en gezin vertrokken naar South Dakota om te boeren.
  • Mrs. Redeker werd iets uit de keel genomen: geen haar, zooals ’n vorige keer gemeld werd.
  • Aangenaam weder tegenwoordig.

Het Lege Huis

Boedel 01

Het is doodstil in huis en het ruikt er muf. De meubels, kleedjes en uitgestalde serviezen zijn stille getuigen van orde en netheid. Poetsen en boenen, dat was haar lust en haar leven. Nu zal alles waar ze zo zuinig op was in vuilniszakken en containers verdwijnen. Dieven in de nacht zijn wij, schurken.
Ik open een kast en staar naar de stapels handdoeken. Voorzichtig pak ik er een paar uit. ‘Hier heb ik me als kind nog mee afgedroogd,’ zeg ik tegen mijn broer. Ze heeft ze allemaal bewaard, een leven in handdoeken. Er is geen tijd om er bij stil te staan, we moeten door. Ik graai door haar leven en smijt de spullen nu met stapels tegelijk in vuilniszakken. Een paar dagen geleden zijn we hier geweest om wat spulletjes te verdelen. ‘Neem mee wat je leuk vindt, anders gaat het maar weg,’ zeiden we. Een kastje, een olielamp, een klok en een vaasje zijn apart gezet. Sieraden en andere waardevolle spullen hebben we in dozen gedaan. Die komen in de schuur, om later nog maar eens uit te zoeken. ‘Je wilt alles wel bewaren, maar wat moet je ermee,’ zegt mijn broer. Dit huis vol herinneringen, het glipt ons door de vingers.
Op de bovenverdieping ploegen we door de kledingkasten. Zak na zak wordt gevuld. Die gaan naar mijn schoonzus en vervolgens naar Polen. Raar idee eigenlijk, dat wildvreemden de kleren van mijn moeder zullen dragen. Ze moest eens weten.
‘Boven is nu alles leeg, het schiet lekker op,’ zeg ik. Smakeloze woorden. We gaan naar beneden, naar haar slaapkamer waar twee schilderijtjes aan de muur hangen. Meeuwen op het strand. Die heb ik voor haar gekocht toen ik dertien was. Gekocht van mijn zakgeld, voor moederdag. Niet uit liefde, maar in de hoop dat ze wat minder lelijk tegen me zou doen. Maar ze liet zich niet omkopen, door niemand niet. En toch hangen ze hier, voor altijd bewaard.
We lopen heen en weer naar de container waar haar spullen zich opstapelen. De afvalberg van haar bestaan. De overgebleven meubeltjes gaan naar een collega die er iets goeds mee zal doen. Tegen beter weten in hebben we nog gezocht naar de witte foto-albums. De Expo in Brussel, 1958. Vader, in een parelwit overhemd, de mouwen hoog opgerold, lachend naar de camera. Zo jong nog, zo onherkenbaar jong. We zoeken, maar vinden niets. Ze heeft de albums weggegooid, het verleden gewist. Wat rest is de herinnering aan die tijdloze foto’s. Maar herinneringen kun je niet afdrukken. Ansichtkaarten vinden we wel, een hele doos vol. Verjaardags- en Kerstkaarten die ze in de loop der jaren heeft ontvangen. Met zorg bewaard, soms in stapeltjes met een strik erom. Trofeeën van geluk, van het niet vergeten zijn. Zwijgend laten we ze in de vuilniszak glijden.
Het is gedaan. In nog geen acht uur tijd hebben we negentig levensjaren opgeruimd. Beduusd lopen we nog een keer het huis door, waar de leegte sprakeloos op ons neerkijkt. Het klinkt er hol en berooft. Straks zal hier iemand wonen die niets weet van de eenzame jaren die hier zijn doorleefd. Van de woorden die hier zijn gesproken, de tranen die er zijn gevloeid. Haar ouders en schoonouders, de vele broers en zusters en haar man; ze zijn er allemaal niet meer. Wij zijn de laatste ooggetuigen van haar leven. En als wij er straks niet meer zijn, zullen ook de herinneringen die wij nu uit haar huis hebben meegenomen, in een vuilniszak verdwijnen. Alsof zij nooit heeft geleefd, nooit heeft bestaan.

Hieper-de-Pieper

AardtopWat de boer niet kent dat vreet hij niet, luidt een Nederlands gezegde. En dat gold vooral voor aardappels. Die waren in de 17e eeuw vanuit Zuid Amerika in Europa opgedoken, maar de boeren wilden er niets van weten. De knollen waren lelijk, met wratachtige, schurftige plekken en ze roken ook nog eens nergens naar. Men was ervan overtuigd dat de aardappel tering (tuberculose), lepra en syfilis kon veroorzaken. Ook winderigheid werd aan aardappels toegeschreven. De aardappel werd dan ook overal in Nederland als varkensvoer gebruikt. Pas in 1727 waren het de Friezen die aardappels gingen verbouwen. Niet omdat Friesland zo vooruitstrevend was op het gebied van droogkokers en eigenheimers; het was een keuze door honger gedreven. Want wie letterlijk dreigde te sterven van de honger, was zelfs bereid het varkensvoedsel te eten. We waren tenslotte geen Russen, die in diezelfde periode pertinent de aardappel de rug toekeerden en bij duizenden stierven. Het was dus zeker niet liefde op het eerste gezicht, maar in amper honderd jaar tijd zou de aardappel uitgroeien tot volksvoedsel nummer 1.

Wie de eerste zak aardappelen van Zuid-Amerika naar Europa heeft gebracht, is nog altijd een discussiepunt. Feit is dat de Spanjaarden de aardappel ontdekten toen ze het machtige Inca rijk onder de voet liepen. In de meeste keukens in Nederland is dus van tijd tot tijd wel een stukje Inca te vinden. De Ieren waren de eersten in Europa die de aardappelen op grote schaal gingen verbouwen. Hier in Nederland ging het nog gewoon de varkenstrog in; bij de Ieren was het dagelijkse kost. Volgens hen spoelden de eerste aardappels aan land uit Spaanse schepen die voor de Ierse kust schipbreuk hadden geleden. Dat was nog eens strandjutten.

Arrd2

Tussen 1840 en 1850 werden grote delen van Europa getroffen door de aardappelziekte. Het begon in 1845 en 1846, toen het virus 90% van de oogst vernietigde. In het jaar 18147 was het extreem droog, waardoor de oogst voor de derde keer op rij verloren ging. In datzelfde jaar brak er ook nog eens een grote tyfus epidemie uit, een ziekte die tot dan toe volledig onbekend was. Was 1847 te droog, het jaar 1848 spoelde de oogst vrijwel weg door regens. Aan het einde van het jaar brak er een cholera epidemie uit. In 1849 volgde het absolute dieptepunt en was Ierland totaal bankroet. Mensen die hun huur niet meer konden betalen werden zonder pardon op straat gezet en overal in Europa braken oproeren uit (de hongeroorlog of aardappeloproer). Naar schatting een miljoen Ieren stierven de hongerdood en twee miljoen emigreerden naar Amerika en Engeland. In Nederland werd vooral de provincie Groningen getroffen. Pas na 1850 zou de situatie weer beter worden.

Even Een Wasje Draaien In 1850

Was1

Voor een eenvoudige huisvrouw in het midden van de 19e eeuw begon de maandag om vier uur in de ochtend. Had zij een groot gezin, dan werd geadviseerd de dag nog twee uur eerder te beginnen, zodat andere huishoudelijke taken niet in het gedrang kwamen. In de waskeuken werden eerst de grote tobbes met water gevuld. In het huis was zelden een handpomp aanwezig, dus moest het water uit een put Wasstokof ton, of soms zelfs uit de nabijgelegen beek of rivier gehaald worden. Alles bij elkaar waren er die maandag 58 forse emmers water nodig, en dat was dan nog maar voor een gezin van drie. De ovens onder de tobbes werden aangestoken en al snel vulde de waskeuken zich met stoom. Daarna werd alle wasgoed gesorteerd: wit, bont, fijn, een aparte stapel waar verstelwerk voor nodig was en een stapel wasgoed met vlekken. Elke vlek had zo zijn eigen recept. Zo werden inktvlekken verwijderd met melk, fruitvlekken met boter en schimmelvlekken met citroen. Nadat elke vlek afzonderlijk behandeld was, ging het wasgoed de dampende tobbes in en moest het vervolgens rondgedraaid en gemangeld worden met een wasstok. Dit was een lange stok, met onderin houten tanden. Het was zwaar werk en op den duur bijzonder pijnlijk voor schouders, armen en rug. Ter vergelijking: zelfs onze moderne wasmachine heeft al gauw tussen één en twee uur nodig om de was schoon te krijgen, en tijdens het wassen maakt de trommel oneindig veel rotaties. Diezelfde rotaties moesten vroeger met de hand worden gemaakt (het wasbord was in 1833 uitgevonden, maar zou pas na 1850 populair worden). Niet alleen moesten de tobbes om de zoveel tijd met schoon water gevuld worden, het wasgoed zelf werd ook meerdere malen geweekt en gewassen. Een goede huisvrouw waste elk stukje wasgoed driemaal voordat het uiteindelijk schoon genoeg was.

Op de tweede dag werden de kledingstukken bewerkt met stijfsel; het zogenaamde stijven van kleding. Dit werd gedaan om de kleding zijn stevigheid terug te geven. Daarna moest alle wasgoed andermaal uitgewrongen worden. De wringer (of mangel) kwam halverwege de 19e eeuw pas op de markt en dus haalde men in 1850 nog niets (of niemand) door de mangel. Linnen werd uitgespreid op het grasveld (ofwel: bleekveld), omdat er na het wassen vaak een gelige kleur op het wasgoed achterbleef. De zon bleekte die eruit en maakte het linnen lichter van kleur.

Bleekveld

Op de derde dag werd het wasgoed gestreken. Een strijkplank bestond nog niet, dus werd er een laken over tafel gelegd en daarop gestreken. Een strijkijzer was er wel, maar nog geen stroom. Het strijkijzer werd op een vuur verhit of kon worden gevuld met gloeiende kooltjes. In beide gevallen was strijken een tijdrovende bezigheid en was er altijd het risico op brandwonden. Op maandag begon de hele cyclus weer van voren af aan.