Auteur: jandoede

Geboortelepel

Pieter Jelles (Bruinsma) werd in 1747 geboren. De gemiddelde levensverwachting in de 18e eeuw was slechts 30 jaar, dus toen hij in 1789 op 42-jarige leeftijd met Geertie Jans in het huwelijk trad, was hij al een man op leeftijd. Eind november 1789 werd hun zoon Jelle geboren, gevolgd door Jan in november 1791. In december 1794 werd vervolgens hun dochtertje Siebrig geboren, vernoemd naar Pieter Jelles zijn moeder. Ter ere van haar geboorte lieten Pieter en zijn vrouw een zilveren lepel maken bij de zilversmid. Op de steel staan een man, een vrouw met duif, een kruis en een anker, ofwel: de symbolische voorstelling van geloof (kruis), hoop (anker en duif) en liefde (man en vrouw). De dubbel gevlochten steel komt uit in de grote zilveren ‘bak’ van de lepel, met daarin de inscriptie: 1794 den 10 december is geboren Siebrig Pieters.

Deze 223 jaar oude geboortelepel heeft de reis door de tijd overleefd en een paar weken geleden heb ik haar op een veiling kunnen kopen. Het is een heel speciaal gevoel iets aan te kunnen raken wat ooit – zo lang geleden – het bezit van mijn voorouders is geweest. Ooit hebben hun handen deze lepel vastgehouden en bewonderd, net zoals ik haar nu bewonder.

geboortelepel-siebrig

Foreign Visitors

This website is in Dutch, and to make things worse; I like to quote from old Dutch newspapers and such. Which is a different kinda Dutch altogether. So if you’re searching for your ancestors on this website and if you’re struggling with the language, then feel free to contact me. I’m always willing to help with translations or the necessary background information.

Jan

Hoort Zegt Het Voort

stadsomroeper

De stads- of dorpsomroeper sloeg op zijn koperen bekken en het galmende geluid ‘lokte meer nieuwsgierigen dan den muziek van den rondwandelenden orgelman.’ De kuiper, de smid, de winkeljuffrouw en de keukenmeid ‘braken, als bij wederzijdsch akkoord, hun handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals luisteren. Overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn.’ De omroeper sprak met ‘langzame, slepende, eentoonige, maar toch luide en verstaanbare stem.’ Hij bracht nieuws over een aankomende vergadering of verkoping, de aankomst van een schip met turf, genomen besluiten en nieuwe wetten. Niet zelden was het nieuws droevig of alarmerend: een vermist kind, een levenloos lichaam in de sloot of ‘voortvluchtige boosdoeners’ die niet veel goeds in de zin hadden. Dergelijk nieuws prikkelde de nieuwsgierigheid van boeren, burgers en buitenlui en het was genoeg om ‘veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.’ Eeuwenlang werd er naar hem geluisterd, maar de opkomst van (betaalbare) kranten en het terugdringen van het analfabetisme snoerden hem de mond. Toch waren er in de 20e eeuw nog stadsomroepers (de laatste hield het in 1964 voor gezien). Maar zijn rol in de gemeenschap was veranderd. ‘Zelden lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster.’ Hij was een figuur uit het verleden, een herinnering aan vroeger tijden. Hij was oud nieuws.

Strijkende Zeilen En Zo

De lange arm der wet was in de 19e eeuw echt verbluffend lang. Mannen, vrouwen en zelfs kinderen moesten op hun tellen passen, want er was niet veel voor nodig om door een veldwachter in de kraag gevat te worden. Zo kon een kind worden opgepakt voor “het maken van een glijdbaan op de openbare straat” of voor “het werpen met sneeuwballen.” Sneeuwpret had zijn prijs, want op beide overtredingen stond een boete van 1 gulden. En wie dat niet kon betalen, ging een dag de gevangenis in. Het “klimmen in een boom behoorende tot het openbaar plantsoen” leverde dezelfde straf op, net als “het spelen met geld op de openbare straat.” Kon niet, mocht niet, was verboden. En er stond een boete van maar liefst 3 gulden (of 2 dagen brommen zo u wilt) voor “het smijten met steenen over eene omheining van een tuin.”

Vrouwen waren eeuwenlang aan huis gebonden, dus je zou verwachten dat ze weinig verkeerd konden doen. Maar ook voor een huisvrouw loerde er overal gevaar. Zo kon zij een boete of een gevangenisstraf tegemoet zien voor “het uitkloppen van kleeden anders dan des voormiddags tot 12 uur” of voor “het schrobben van de openbare straat na 12 uur.” Ook het “plaatsen van een linnenrak op de openbare straat” werd niet gewaardeerd. Wij schromen dan misschien om de vuile was buiten te hangen, in de 19e eeuw ging je de bak in als je de schone was buiten hing. Soms vroeg zo’n vrouw ook echt om problemen. Bijvoorbeeld door “het ledigen van een emmer gevuld met uitwerpselen op het ijs” of nog erger: “het ledigen van een emmer secreetmest in het openbaar water.” Waarbij het woord secreet trouwens verwijst naar de beerput en niet naar de vrouw in kwestie.

Prison-001

Mannen hadden het ook niet makkelijk. Voor “het niet tijdig strijken van de zeilen” bijvoorbeeld moest je een boete van 2 gulden betalen (of 1 dag zitten). Terwijl de strijkijzers in die tijd echt nog niets voorstelden. Het met de “kruiwagen over de klinkersteenen” rijden was ook verboden, net als “het visschen in eens anders vischwater.” Dat laatste kostte je 3 piek of 2 dagen. “Het veroorzaken van nachtgerucht” werd je ook niet in dank afgenomen: vijf en een halve gulden boete of drie dagen. Maar dat was nog niets vergeleken bij het “het niet binnen den bij wet bepaalde termijn aangifte doen van de geboorte van een kind.” Acht gulden boete mijnheer. Zo goed “het hebben van meer dan 25 kilogram buskruid in huis” gestraft werd met 25 gulden boete of 5 dagen gevangenisstraf. Och, het was een tijd van korte lontjes.

De lange arm der wet was zo lang, dat zelfs veldwachters op hun hoede moesten zijn. Zo werden er in mei 1878 een paar kerels opgepakt wegens ordeverstoring en het drinken na sluitingstijd. In de rechtbank echter beklaagden de beklaagden zich over de veldwachter die hen had gearresteerd. Die was, zo beweerden de mannen althans, zelf dronken geweest. Het moet niet gekker worden. Maar bij de rechtzitting bleek dat de veldwachter iemand was die “zoodanig spreekt, loopt en handelt, dat men den indruk kan krijgen dat hij dronken is zonder dat zulks het geval is.” Een merkwaardige uitleg, zeker omdat de veldwachter in kwestie toegaf die avond “twee slokjes te hebben gebruikt.” De rechter concludeerde ferm “dat de veldwachter niet bij zijn volle bewustzijn was” toen het voorval plaatsvond.

Twitteren Anno 1920

Wie denkt dat Twitteren iets van de 21e eeuw is, heeft het mis. Twitteren deed men honderd jaar geleden ook al. Goed, men was toen nog niet zo mobiel, dus men Twitterde in de krant. Zo was de Volksvriend (1874-1951) een Nederlandstalige krant die in Amerika werd uitgegeven. Een van de vaste rubrieken in deze krant heette Correspondentie. Hierin werden wekelijks allerlei ditjes en datjes uitgewisseld. De tekstjes waren extreem kort, veelal niet langer dan een enkele zin en bedoeld voor de goede verstaander. Bijvoorbeeld: Mrs. Jonker is een paar dagen op bezoek bij haar familie. Of: Mr. Abma heeft een farm gekocht. Soms zijn ze ronduit verwarrend, dan weer zijn ze onbedoeld grappig door het (verouderde) taalgebruik. Een kleine bloemlezing:

  • Ten huize van G. Vrieze arriveerde een splinternieuw dochtertje.
  • Het is den laatsten tijd mooi weer geweest, maar nu lijkt het niet zoo mooi.
  • Hier preekte dominee Mars. Vele gemeente leden zijn verkwikt en versterkt; eenige anderen zijn uit de wereld tot Christus geleid.
  • Nieuwe tanden zijn lang altijd geen plezier. Bennie Ykema kan er nu ook van meepraten.
  • Velen zijn druk met verhuizen. Dat beteekent ook wat met zulke wegen!
  • Emil Sando’s handen zijn in zooverre hersteld, dat hij nu als taxateur dienst doet.
  • Mrs. Bode in China aangekomen. Op haar reis had zij een grooten storm ontmoet.
  • Mr & Mrs Kleinjan gingen met hun kindje naar Marshalltown; de kleine is geboren met een gewas in de nek.
  • Mr. J. de Jong had het ongeluk zijn arm te breken met ’t opwinden van de auto.
  • Mrs. Klontz, moeder van den blinden Willem, overleed zaterdag. Zij was ook blind.
  • Joe Keeman reed met zijn auto in de greppel bij de boterfabriek; hij was niet bezeerd, maar de auto brandde geheel op.
  • De meeste cornvelden staan mooi, andere velden staan minder mooi.
  • Buren en gezin vertrokken naar South Dakota om te boeren.
  • Mrs. Redeker werd iets uit de keel genomen: geen haar, zooals ’n vorige keer gemeld werd.
  • Aangenaam weder tegenwoordig.

De Watersnoodramp van 1825

Storm

Dinsdag 1 februari 1825 was een zachte, bijna zwoele dag. Op donderdag 3 februari 1825 echter begon het te stormen en zakte de temperatuur naar het vriespunt. Tot overmaat van ramp was het volle maan: springtij. Op de avond van de 3e februari steeg het water met 30 centimeter per uur. Toch leek alles rond middernacht nog onder controle. Maar toen kwam er “een woedende Buy met Sneeuw vergezelt” die het water nogmaals deed stijgen. Maar het was niet sneeuw alleen, het hagelde en onweerde ook. In de dorpen werden de noodklokken geluid. Sommige bewoners probeerden nog iets van hun huisraad te redden, anderen probeerden een goed heenkomen te zoeken. Er werd geschreeuwd en gehuild; de paniek was enorm. Alleen al in het Noord-Westen van Overijssel braken de dijken op 22 verschillende plaatsen door. Ook Drente, Friesland en Gelderland werden getroffen. Overal stortte het water zich met een allesvernietigende kracht het land in. Huizen werden weggeslagen, het vee verdronk, landbouw- en turfgronden spoelden weg.

In het dorp Verlaat zag men de volgende namiddag een rietendak op het kolkende water drijven met daarop “twintig personen, zoo mannen, vrouwen als kinderen”. Toen brak “het dak in tweeën en het grootste gedeelte, waarop zich elf menschen bevonden, dreef te Zuidveen aan land”. Tien mensen waren nog in leven, maar “eene vrouw door koude verkleumd” was reeds overleden. De mensen op het andere gedeelte van het afgebroken dak “zijn ten prooi der golven geworden”. In Steenwijk klommen negen mensen in doodsnood bovenop een waterrad. Rondom hen golfde het ijskoude water. Zij “hebben aldaar 18 uren in den verschrikkelijksten angsten doorgebragt; eenigen, vooral de kinderen, door honger gefolterd”. Alle negen werden uiteindelijk door vissers gered.

Vlakbij Giethoorn had men “eene vrouw gevonden, met drie kinderen in hare armen, waaronder eene van zestien weken, bijna naakt, aan de borst der doode moeder liggende, welk kind nog in in leven was”. 

g7g8

In Echten, vlakbij de zee, woonden Hendrik Huisman en zijn vrouw Margjen Luitjes met hun vijf kinderen. Margjen was zwanger van de zesde en liep op haar laatste dagen. De vroedvrouw was al overgekomen. Op vrijdag 4 februari 1825, om half vier in de namiddag, braken de dijken en “kwam het zeewater met verschrikkelijk geweld aangolven”. Het gezin verschanste zich in huis, maar gaandeweg de avond begon het water meer en meer te stijgen. Een zijmuur stortte in, net als de huizen van hun buren. In paniek klommen ze in een (turf) praam en brachten daar het grootste deel van de nacht door, blootgesteld aan de ijzige koude, de woeste golven en het onweer. En zo beviel beviel Margjen die nacht van haar zesde kind. “De ellendige toestand dezer vrouw is met geene woorden uit te drukken, want dit kind werd geboren in een open vaartuig, waarin twee en twintig mensen zich bevonden; in eene felle koude met hevige sneeuwjagt vergezelt”. Er was slechts “één linnen doek” aan boord om dit “arm schepseltje” te behoeden tegen de kou. De volgende dag werden ze gered. Moeder Margjen zou volledig herstellen, maar haar pas geboren kindje overleed een paar weken later.

Luite Klazen van der Schoot uit Nijeholtwolde was 81 jaar oud toen hij zijn been brak. Tijdens die vreselijke nacht lag hij “hulpeloos op zijne legerstede en voelde het water telkens hooger stijgen”. Door zijn gebroken been kon hij niet zelfstandig uit bed komen en “eene oude vrouw en een klein meisje, zijne eenigste huisgenoten” waren niet bij machte om hem te helpen. Luite verdronk in bed.

Onder de slachtoffers waren ook een aantal voorouders. Zo was Wimke Jans Bron getrouwd met Klaas Jans Deine en hadden ze samen één zoontje. Wimke en haar zoontje werden die nacht door de golven meegesleurd. Na de storm zocht Klaas onvermoeibaar naar hun lichamen. Op maandag 21 februari 1825, dus ruim twee weken na de watersnood, vonden hij en Jan Lolkes Deinen uit Blesdijke, de stoffelijke overschotten. In de overlijdensakte staat dat zij gisteravond om 4 uur hebben gevonden het lijk van de vrouw van de eerst genoemde (dat was Klaas) genaamd Wimke Jans Bron, oud 23 jaar, geboren te Wolvega, alsmede het zoontje van de eerstgenoemde en zijn huisvrouw, genaamd Jan, oud 39 weken, welke in de watersnood zijn omgekomen en onder Steenwijkerwold zijn gevonden. Wimke heeft het niet geweten, maar ook haar jongere zusje Sjoekje Jans Bron (5 jaar oud) zou de ramp niet overleven. Haar lichaampje werd pas op maandag 21 maart 1825 gevonden.

Water

Het Lege Huis

Boedel 01

Het is doodstil in huis en het ruikt er muf. De meubels, kleedjes en uitgestalde serviezen zijn stille getuigen van orde en netheid. Poetsen en boenen, dat was haar lust en haar leven. Nu zal alles waar ze zo zuinig op was in vuilniszakken en containers verdwijnen. Dieven in de nacht zijn wij, schurken. Als ze nog leefde, zou ze zich in haar graf omdraaien.
Ik open een kast en staar naar de stapels handdoeken. Voorzichtig pak ik er een paar uit. ‘Hier heb ik me als kind nog mee afgedroogd,’ zeg ik tegen mijn broer. Ze heeft ze allemaal bewaard, een leven in handdoeken. Er is geen tijd om er bij stil te staan, we moeten door. Ik graai door haar leven en smijt de spullen nu met stapels tegelijk in vuilniszakken. Een paar dagen geleden zijn we hier geweest om wat spulletjes te verdelen. ‘Neem mee wat je leuk vindt, anders gaat het maar weg,’ zeiden we. Een kastje, een olielamp, een klok en een vaasje zijn apart gezet. Sieraden en andere waardevolle spullen hebben we in dozen gedaan. Die komen in de schuur, om later nog maar eens uit te zoeken. ‘Je wilt alles wel bewaren, maar wat moet je ermee,’ zegt mijn broer. Dit huis vol herinneringen, het glipt ons door de vingers.
Op de bovenverdieping ploegen we door de kledingkasten. Zak na zak wordt gevuld. Die gaan naar mijn schoonzus en vervolgens naar Polen. Raar idee eigenlijk, dat wildvreemden de kleren van mijn moeder zullen dragen. Ze moest eens weten.
‘Boven is nu alles leeg, het schiet lekker op,’ zeg ik. Smakeloze woorden. We gaan naar beneden, naar haar slaapkamer waar twee schilderijtjes aan de muur hangen. Meeuwen op het strand. Die heb ik voor haar gekocht toen ik dertien was. Gekocht van mijn zakgeld, voor moederdag. Niet uit liefde, maar in de hoop dat ze wat minder lelijk tegen me zou doen. Maar ze liet zich niet omkopen, door niemand niet. En toch hangen ze hier, voor altijd bewaard.
We lopen heen en weer naar de container waar haar spullen zich opstapelen. De afvalberg van haar bestaan. De overgebleven meubeltjes gaan naar een collega die er iets goeds mee zal doen. Tegen beter weten in hebben we nog gezocht naar de witte foto-albums. De Expo in Brussel, 1958. Vader, in een parelwit overhemd, de mouwen hoog opgerold, lachend naar de camera. Zo jong nog, zo onherkenbaar jong. We zoeken, maar vinden niets. Ze heeft de albums weggegooid, het verleden gewist. Wat rest is de herinnering aan die tijdloze foto’s. Maar herinneringen kun je niet afdrukken. Ansichtkaarten vinden we wel, een hele doos vol. Verjaardags- en Kerstkaarten die ze in de loop der jaren heeft ontvangen. Met zorg bewaard, soms in stapeltjes met een strik erom. Trofeeën van geluk, van het niet vergeten zijn. Zwijgend laten we ze in de vuilniszak glijden.
Het is gedaan. In nog geen acht uur tijd hebben we negentig levensjaren opgeruimd. Beduusd lopen we nog een keer het huis door, waar de leegte sprakeloos op ons neerkijkt. Het klinkt er hol en berooft. Straks zal hier iemand wonen die niets weet van de eenzame jaren die hier zijn doorleefd. Van de woorden die hier zijn gesproken, de tranen die er zijn gevloeid. Haar ouders en schoonouders, de vele broers en zusters en haar man; ze zijn er allemaal niet meer. Wij zijn de laatste ooggetuigen van haar leven. En als wij er straks niet meer zijn, zullen ook de herinneringen die wij nu uit haar huis hebben meegenomen, in een vuilniszak verdwijnen. Alsof zij nooit heeft geleefd, nooit heeft bestaan.