Even Een Wasje Draaien In 1850

Was1

Voor een eenvoudige huisvrouw in het midden van de 19e eeuw begon de maandag om vier uur in de ochtend. Had zij een groot gezin, dan werd geadviseerd de dag nog twee uur eerder te beginnen, zodat andere huishoudelijke taken niet in het gedrang kwamen. In de waskeuken werden eerst de grote tobbes met water gevuld. In het huis was zelden een handpomp aanwezig, dus moest het water uit een put Wasstokof ton, of soms zelfs uit de nabijgelegen beek of rivier gehaald worden. Alles bij elkaar waren er die maandag 58 forse emmers water nodig, en dat was dan nog maar voor een gezin van drie. De ovens onder de tobbes werden aangestoken en al snel vulde de waskeuken zich met stoom. Daarna werd alle wasgoed gesorteerd: wit, bont, fijn, een aparte stapel waar verstelwerk voor nodig was en een stapel wasgoed met vlekken. Elke vlek had zo zijn eigen recept. Zo werden inktvlekken verwijderd met melk, fruitvlekken met boter en schimmelvlekken met citroen. Nadat elke vlek afzonderlijk behandeld was, ging het wasgoed de dampende tobbes in en moest het vervolgens rondgedraaid en gemangeld worden met een wasstok. Dit was een lange stok, met onderin houten tanden. Het was zwaar werk en op den duur bijzonder pijnlijk voor schouders, armen en rug. Ter vergelijking: zelfs onze moderne wasmachine heeft al gauw tussen één en twee uur nodig om de was schoon te krijgen, en tijdens het wassen maakt de trommel oneindig veel rotaties. Diezelfde rotaties moesten vroeger met de hand worden gemaakt (het wasbord was in 1833 uitgevonden, maar zou pas na 1850 populair worden). Niet alleen moesten de tobbes om de zoveel tijd met schoon water gevuld worden, het wasgoed zelf werd ook meerdere malen geweekt en gewassen. Een goede huisvrouw waste elk stukje wasgoed driemaal voordat het uiteindelijk schoon genoeg was.

Op de tweede dag werden de kledingstukken bewerkt met stijfsel; het zogenaamde stijven van kleding. Dit werd gedaan om de kleding zijn stevigheid terug te geven. Daarna moest alle wasgoed andermaal uitgewrongen worden. De wringer (of mangel) kwam halverwege de 19e eeuw pas op de markt en dus haalde men in 1850 nog niets (of niemand) door de mangel. Linnen werd uitgespreid op het grasveld (ofwel: bleekveld), omdat er na het wassen vaak een gelige kleur op het wasgoed achterbleef. De zon bleekte die eruit en maakte het linnen lichter van kleur.

Bleekveld

Op de derde dag werd het wasgoed gestreken. Een strijkplank bestond nog niet, dus werd er een laken over tafel gelegd en daarop gestreken. Een strijkijzer was er wel, maar nog geen stroom. Het strijkijzer werd op een vuur verhit of kon worden gevuld met gloeiende kooltjes. In beide gevallen was strijken een tijdrovende bezigheid en was er altijd het risico op brandwonden. Op maandag begon de hele cyclus weer van voren af aan.

Advertenties